Bijlage 1 Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999): bedoeld in artikel 3 van de NKL 1999
In de NKL 1999 worden vier soorten leidingen onderscheiden: Leidingen binnen beheersgebied: De vergoeding voor een verlegging van een buitenleiding wordt bepaald aan de hand van bijlage 3 en de ver-goeding voor het verleggen van een leiding die onder de overeenkomst valt wordt bepaald aan de hand van de overeenkomst. Voor de leidingen genoemd onder 1, 2 en 3 geldt dat allereerst de kosten van een verlegging bepaald dienen te worden. Van deze kosten worden de voordelen afgetrokken die voortvloei-en uit een verlegging. Het aldus bere-kende bedrag is de schade die een kabel of leidingbeheerder lijdt door een verlegging. De wijze van schade-berekening is in deze bijlage vastge-legd. De vergoeding voor een verleg-ging van een kruisende- , langsliggen-de- of buitenleiding wordt vervolgens aan de hand van de respectieve bijla-gen bepaald. In het navolgende wordt uiteengezet welke uitgangspunten en berekeningsmethode worden gehanteerd bij het vaststellen van de omvang van de schade bij een verlegging van een kabel of leiding. Schade wordt gedefinieërd als de kosten die gemaakt moeten worden om de verlegging uit te voeren minus de uit de verlegging voortvloeiende voordelen. Uitgangspunt bij de bepaling van de omvang van de schade bij een verleg-ging van een kabel of leiding zijn de werkelijke verleggingskosten. De verleggingskosten omvatten alle directe kosten die de verzoeker moet maken om de kabel of leiding te verleggen. In concreto betreft het de volgende kostencomponenten: In het onderstaande wordt een lei-draad gegeven voor de berekenings-wijze van de kosten van een verlegging. Deze berekeningswijze is ontleend aan de overeenkomst. Aan de overeenkomst is een drietal uit-gangspunten ten grondslag gelegd: De hoogte van de kosten voor het verleggen van een kabel of leiding wordt vastgesteld volgens de hierna volgende berekeningsmethodiek. Bij deze berekeningsmethodiek wor-den de componenten vermogensscha-de en inkomensschade niet als uit-gangspunt genomen. 3. Bij deze ber
- 1) langsleidingen;
- 2) kruisende leidingen De vergoeding voor het verleggen van langsleidingen wordt bepaald aan de hand van bijlage 2 van deze regeling. De vergoeding voor het verleggen van een kruisende leiding wordt bepaald aan de hand van bijlage 3 van deze regeling.
- 3) buitenleidingen;
- 4) leidingen die onder de overeen-komst vallen.
- materiaalkosten;
- kosten van het uit en in bedrijf stellen;
- kosten van ontwerp en begeleiding;
- uitvoeringskosten.
- De schade bij een verlegging wordt in principe bepaald aan de hand van het onteigeningsrecht.
- Kabels en leidingen zijn incourante objecten (ze kunnen immers niet meer op de markt verhandeld worden nadat ze zijn gelegd en hun functie zijn gaan vervullen) in de zin van het onteige-ningsrecht, wat tot gevolg heeft dat bij de berekening van schade en de ver-goeding de werkelijke verleggingskos-ten als uitgangspunt worden geno-men. Zulks met inachtneming van het onteigeningsrecht.
- Verleggingen dienen te worden gerealiseerd op basis van een technisch adequaat alternatief dat tegen de maatschappelijke laagste kosten gere-aliseerd kan worden. Dit houdt in dat gestreefd dient te worden naar opti-malisatie, hetgeen betekent dat bij een verlegging gekozen zal worden voor het meest aantrekkelijke alternatief onder de voorwaarde dat zulks geen nadelen oplevert voor de verlegger en de minister ten opzichte van de meest voor de hand liggende variant. De meest voor de hand liggende variant is een verlegging ter plaatse van de oor-spronkelijke ligging van de te verleg-gen kabel of leiding.
- materiaalkosten
- kosten van het uit en in bedrijfstellen
- kosten van ontwerp en begeleiding
- uitvoeringskosten.
- kosten van bedrijfseigen materialen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen kabel of leiding en daarvoor noodzakelijke beschermingsconstruc-ties. Hieronder worden in elk geval verstaan kosten van kabel- en of leidingcomponenten, kosten van elektrotechnische, werktuigbouwkundige en civieltechnische materialen, alsmede kosten van bouwmaterialen, alsmede kosten van bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht.
- kosten van het spannings- of produktloos maken van de kabel en leiding alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen van de kabel of leiding,
- kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard. Tijdelijke voorzieningen van operationele aard zijn voorzieningen die benodigd zijn om de levering tijdens de uitvoering van een verlegging te waarborgen.
- kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden (zoals werkputten en ondersteuningen),
- kosten samenhangend met de uitvoering van het verwijderen van verlaten kabels of leidingen. De ter plaatse vrijgekomen materialen zijn c.q. worden het eigendom van de leidingbeheerder,
- kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen die nodig zijn in verband met de aanraking van het infrastructuurwerk (zoals overkluizingen en mantelbuizen),
- kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard, zoals extra kabel- en leidingvoorzieningen die worden opgeheven zodra de definitieve verlegging is gerealiseerd in samenhang met de voortgang van het infrastructuurproject.
- onderzoek
- voorontwerp
- definitief ontwerp
- bestek
- aanbesteding en gunning
- detaillering ten behoeve van de uitvoering
- directievoering
- oplevering
- leiding aangelegd in 1959
- technische levensduur: 45 jaar
- totale leiding met een lengte van 800 m zou naar objectieve maatstaven aldus in 2004 moeten worden vernieuwd
- infrastructureel project maakt verlegging van 100 m leiding noodzakelijk in 2001
- kosten "partiële verlegging": ƒ 300.000 - geschatte kosten gehele verlegging in 2004: ƒ 1.500.000
- evenredig deel van het in 2001 te verleggen deel ten opzichte van de in 2004 geplande totale verlegging is:(100) / (800) x f. 1.500.000= ƒ 187.500
- bij een rekenrente van 4% (dit is tweederde van het gemiddelde percentage dat de grootste banken van Nederland als rente hanteren voor standaard-hypotheken zonder gemeentegarantie op basis van een tienjarige annuïteit) is dit bedrag naar het jaar 2001 contant te maken met de rekensom ƒ 187.500: (1,04)3= ƒ 166.687
- de schadeloosstelling is nu gelijk aan ƒ 300.000 (kosten partiële verlegging in 2001) minus ƒ 166.687 (de contant gemaakte evenredige besparing in 2004) = ƒ 133.313