Bijlage 2 Uitvoeringsregeling BSE 1999-I
Uitvoeringsregeling BSE 1999-I
Het doel van het EBIT-programma is het leveren van een bijdrage aan de uitvoering van het energiebesparingsbeleid van de overheid in het verkeer en vervoer, zoals geformuleerd in de Energiebesparingsnota 1998. Het programma richt zich op vraagreductie van (inefficiënt) wegtransport zonder economische groeibelemmering. In het personen- en goederentransport komen voor subsidie in aanmerking projecten die een vraagreductie van het transport over de weg tot direct of indirect gevolg hebben, en als zodanig een bijdrage leveren aan de vermindering van het energieverbruik en daarmee aan de uitstoot van CO2. In het goederentransport kan hierbij gedacht worden aan projecten ter verbetering van de (keten)logistiek, logistieke dienstverlening, intermodaal vervoer en modal shift. In het personentransport kan gedacht worden aan projecten ter verbetering van vervoersmanagement, logistieke dienstverlening en de toepassing van ICT. Projecten dienen een voorbeeldfunctie te vervullen. De voorkeur gaat uit naar projecten die worden uitgevoerd door partijen die deelnemen, of gaan deelnemen, aan MeerJarenAfspraken inzake het verminderen van het energiegebruik. De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. ad b. Bij de milieuverdienste wordt m.n. uitgegaan van de vermindering van de CO2 uitstoot. ad d. Van belang is dat doublures bij haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten worden vermeden. ad f. Bij de introductie van nieuwe vervoersconcepten is het van belang dat er in een vroeg stadium betrokkenheid is van de industrie of organisaties van eindgebruikers. De voorkeur wordt dan ook gegeven aan projecten met een
- a. de slaagkans van het project;
- b. de milieuverdienste van het project;
- c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;
- d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;
- e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de doelstelling van het programma;
- f. de mate van betrokkenheid van de industrie of organisaties van eindgebruikers;
- g. de relevantie voor organisatorische clusters in Nederland;
- h. de nieuwheid van het project;
- i. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;
- j. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
- het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende vervoersconcepten,
- het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologie.
- organisaties op het gebied van verkeer en vervoer;
- vervoerbedrijven, verladers;
- instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.