Bijlage V Besluit Protocollen hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999: : Erkenningsvoorwaarden voor laboratoria die de analyses van monsters op de aan- of afwezigheid van Salmonella en/of Campylobacter uitvoeren.
Besluit Protocollen hygiënevoorschriften kalkoenhouderij 1999
Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces (mest) en nekvellen afkomstig van pluimvee. De Raad voor Accreditatie heeft de methode goedgekeurd voor de matrix mest. Salmonella: micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze. Detectie van Salmonella: bepalen van de aan- of afwezigheid van deze micro-organismen als het onderzoek wordt uitgevoerd volgens de beschreven werkwijze. Na voorincubatie van de te onderzoeken matrix in een voorophopingsmedium, wordt geënt op een half-vast medium, waarna wordt afgestreken op een selectief isolatiemedium. Alle gebruikte grondstoffen en het gedestilleerde water moeten van analysekwaliteit zijn. gebufferd pepton water BPw bijlage 1.1 modified semi-solid Rappaport-Vassiliadis medium MSRV bijlage 1.2 briIjant groen agar BGA bijlage 1.3 ureumagar UA bijlage 1.4 triple-sugar-ironagar TSI bijlage 1.5 lysine-decarboxylase medium LDC bijlage 1.6 De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage 1. Er mag echter ook gebruik gemaakt worden van media die commercieel verkrijgbaar zijn. Gebruikelijke apparatuur en glaswerk voor een microbiologisch laboratorium en in het bijzonder de onderstaande: Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast. De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na de datum van monstername is verstreken. Verdun het monster 1:10 in BPw. In de volgende tabel1standaard monsters in 225 ml BPw mag ook uitgevoerd wordden. Het gaat er om dat er minimaal een 1:10 verdunning gemaakt worden. Een ruimere verdunning dan 1:10 is toegestaan, een kleinere verdunning dan 1:10 is niet toegestaan. is ter ill
- A. voor 1 juli 2000 dienen de laboratoria in het bezit te zijn van een STERLAB erkenning voor de door de branche opgestelde analyse methodes voor de bepaling van Salmonella en Campylobacter. Dat wil zeggen dat het laboratorium met ingang van deze datum over een STERLAB-erkenning moet beschikken die door de Raad voor Accreditatie te Utrecht (hierna te noemen RVA) wordt verleend, waaronder tenminste de bepaling van Salmonella in de matrix mest volgens de door de branche opgestelde analyse methode valt.
- B. voor laboratoria die in het buitenland zijn gevestigd zal geen Nederlandse STERLAB- erkenning vereist zijn maar een gelijkwaardige erkenning van het betreffende land.
- C. de laboratoria dienen voor de bepaling van Salmonella en Campylobacter gebruik te maken van door de branche opgestelde analyse methodes. De analyse methodes zijn bij dit besluit opgenomen. Aangezien de RVA alleen vastgelegde en breed geaccepteerde analysemethoden accrediteert, voor Salmonella en Campylobacter zijn dat in principe de ISO- methodes, dienen de branche-methodes van een validatie rapport te worden voorzien. Het Productschap draagt zorg voor deze validatie rapporten zodat de RVA het gebruik van deze methodes bij de laboratoria kan goedkeuren.
- D. alle laboratoria dienen mee te doen met het halfjaarlijks Salmonella-ringonderzoek dat opdit moment door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne te Bilthoven (hierna te noemen RIVM) verzorgd wordt. Zodra een ringonderzoek voor Campylobacter is opgezet, dient een laboratorium ook aan dit ringonderzoek mee te doen.
- E. het laboratorium verstrekt het Productschap elk kwartaal een overzicht waarop is aangegeven hoeveel koppels of hoeveel analyses door het betreffende laboratorium zijn onderzocht respectievelijk zijn uitgevoerd. Tevens geeft het laboratorium aan hoeveel koppels of analyses hiervan positief waren.
- 5.1. Broedstoof voor het bebroeden bij 37 ° C ± 1 ° C
- 5.2. Broedstoof voor het bebroeden bij 42 ° C ± 0,5 ° C
- 5.3. Waterbad ingesteld op 47 ° C ± 2 ° C
- 5.4. Steriele entnaalden met een oog met een diameter van ca. 3 mm.
- 5.5. Steriele pipetten met een schaalverdeling van 0,1 ml en een meetvolume van 1 ml.
- 5.6. Petrischalen met een middellijn van ca. 9 cm.
- 5.7. Cultuurbuizen van 17/18 x 150 mm en van 8 x 160 mm.
- Positieve controle
- Negatieve controle
- Blanco controle
- NEN-EN 12824 Microbiologie van voedingsmiddelen en diervoeders - horizontale methode voor het aantonen van Salmonella (ISO 6579:1993, gewijzigd).
- Zee, van der H., E. De Boer, P. Van Netten, 1990, Salmonella isolatie met behulp van MSRV, De Ware (n) chemicus 20: 189-199.
- Hartman, dr. E.G., Validatierapport van de isolatie van Salmonella uit de matrix pluimvee faeces m.b.v. het Modified Semi-solid Rappaport Vassiliadis (MSRV)-medium, september 1999
- Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).
- Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,2 ± 0,2 bedraagt bij 25 ° C.
- Verdeel het medium over daarvoor geschikte flessen.
- Steriliseer in een autoclaaf (15 min. 121 ° C).
- Los de ingrediënten op in het water.
- Breng het mengsel onder voortdurend schudden aan de kook (NIET AUTOCLAVEREN).
- Stel de pH op 5,2 ± 0,2.
- Koel het mengsel af tot 50 ° C.
- Los 10 mg novobiocine op in 2 ml gedestilleerd/demi water.
- Steriliseer de oplossing d.m.v. filtratie (filter 22 μ m).
- Voeg oplossing B toe aan 500 ml oplossing A.
- Meng de oplossing.
- Giet uit in petrischalen en verwijder de luchtbellen.
- Even aan de lucht drogen om een nat oppervlak te voorkomen.
- Los de ingrediënten op in het water (indien nodig via verhitting).
- Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,0 ± 0,2 is.
- Schenk het medium in daarvoor geschikte buizen/flessen.
- Steriliseer in een autoclaaf (15 min. 121 ° C).
- Los de componenten op in ± 50 mI water.
- Vul met water aan tot een eindvolume van 100 ml.
- Verhit gedurende 20 min. in een waterbad van 70 ° C.
- Koel af tot 47 ° C ± 1 ° C.
- Gebruik de oplossing direct.
- Voeg het briljant groen (concentratie tussen 4,5 mg/l en 6 mg/l) toe aan het water.
- Bewaar de oplossing tenminste 1 dag in het donker zodat auto-sterilisatie optreedt.
- Voeg, onder aseptische omstandigheden, oplossing C toe aan de (tot 47 ° C ± 1 ° C) afgekoelde oplossing B.
- Voeg deze oplossing toe aan oplossing A en meng het medium.
- Giet het vers bereide medium in grote (± 40 ml) of in kleine petrischalen (±15 ml).
- Laat de platen stollen.
- Droog de platen voor gebruik.
- Los de ingrediënten op in het water.
- Stel de pH op 6,8 ± 0,2 bij 25 ° C en filtreer de oplossing.
- Steriliseer de oplossing gedurende 15 min bij 121 ° C in een autoclaaf.
- Laat de oplossing afkoelen tot 47 ° C.
- Los de ureum op in het water
- Steriliseer de oplossing d.m.v. filtratie en controleer de steriliteit.
- Voeg oplossing B (ureumoplossing) toe aan oplossing A (basismedium).
- Verdeel het medium over steriele buizen, per buis 10 ml medium.
- Laat de buizen stollen zodat een schuin gedeelte ontstaat.
- Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).
- Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,4 ± 0,2 is.
- Verdeel het medium over buizen, per buis 10 ml medium.
- Steriliseer de oplossing gedurende 15 min bij 120 ° C in een autoclaaf.
- Laat de buizen stollen zodat er bovenop 2,5 cm agar onderin de buis, een schuin gedeelte ontstaat.
- Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).
- Stel de pH, zodat deze na sterilisatie 6,8 ± 0,2 is.
- Verdeel het medium over smalle reageerbuizen; per buis 5 mI medium.
- Steriliseer in een autoclaaf (10 min. 121 ° C).
- Breng op een objectglas een druppel zoutoplossing (0,85% NaCl).
- Breng met een steriele entnaald een beetje materiaal van de te onderzoeken kolonie in de druppel zodat een troebeling ontstaat.
- Beweeg gedurende 30-60 seconden het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken).
- Beoordeel het resultaat tegen een donkere achtergrond (met een vergrootglas). De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op auto-agglutinatie van de onderzochte stam. De stammen die auto-agglutinatie vertonen worden niet onderzocht met polyvalent O- serum.
- Breng op een objectglas een druppel antiserum.
- Breng met een steriele entnaald een beetje materiaal van de te onderzoeken kolonie in de druppel zodat een lichte troebeling ontstaat.
- Beweeg gedurende 30-60 seconden het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken).
- Beoordeel het resultaat tegen een donkere achtergrond (met een vergrootglas). De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op een positieve reactie van de onderzochte stam.
- Indien er tussen de datum van monstername en de datum van ontvangst op het laboratorium meer dan 48 uur is verstreken.
- Indien bij de inzending één van de volgende gegevens ontbreekt: monsterdatum, stalnummer en KIP-nummer.
- Indien monsters zodanig zijn verpakt dat lekkage is opgetreden en zodanig zijn geadresseerd dat voor transporteur en laboratorium verwarring kan ontstaan.
- a) Indien onvoldoende houtwol wordt aangeleverd.
- b) Indien het houtwol niet duidelijk met mest is besmeurd.
- c) Indien het houtwol niet in een monsterpot of -zak wordt aangeleverd.
- a) Indien onvoldoende swabs worden aangeleverd.
- b) Indien de swabs niet duidelijk met mest zijn besmeurd.
- c) Indien de swabs niet tot twee mengmonsters zijn gepoold (tenzij de swabs individueel zijn verpakt).
- d) Indien de swabs niet in monsterpotten worden aangeleverd.
- a) Indien onvoldoende paar overschoentjes zijn aangeleverd.
- b) Indien de overschoentjes niet duidelijk met mest zijn besmeurd.
- c) Indien de overschoentjes niet in monsterzakken worden aangeleverd.
- d) Indien elk paar overschoentjes niet in een aparte monsterzak is verpakt.
- a) Indien het monster geen 5 gram dons bevat.
- b) Indien het monster geen natte dons bevat.
- c) Indien het monster niet in een monsterpot of -zak wordt aangeleverd.