Art. 5:1 Ontslagbesluit, Ontslag wegens andere dan bedrijfseconomische redenen
1. Indien de werkgever als grond voor de opzegging van de arbeidsverhouding aanvoert dat de werknemer in onvoldoende mate aan de gestelde functie-eisen voldoet en derhalve ongeschikt is voor zijn functie, kan de toestemming slechts worden verleend indien:
a. de werkgever deze ongeschiktheid aannemelijk heeft gemaakt, en
b. is vastgesteld dat deze ongeschiktheid niet voortvloeit uit ziekte of gebreken van de werknemer, en
c. de werkgever voldoende contact met de werknemer heeft gehad teneinde te trachten verbetering teweeg te brengen in diens functioneren, en
d. aannemelijk is dat het disfunctioneren van de werknemer niet toe te schrijven is aan onvoldoende zorg voor de arbeidsomstandigheden van de zijde van de werkgever.
2. Indien de werkgever als grond voor opzegging van de arbeidsverhouding aanvoert dat de werknemer de bedongen arbeid niet wil verrichten met een beroep op ernstig gewetensbezwaar, wordt de toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding slechts verleend indien de werkgever redelijkerwijs geen mogelijkheid heeft om de werknemer een aangepaste dan wel andere functie aan te bieden.
3. Indien de werkgever verwijtbaar handelen of nalaten van de zijde van de werknemer als grond voor opzegging van de arbeidsverhouding aanvoert, wordt de toestemming voor opzegging van de arbeidsverhouding slechts verleend, indien door de werkgever aannemelijk is gemaakt dat deze grond terecht is aangevoerd, en indien, gelet op dat handelen of nalaten, van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren.
4. Indien de werkgever als grond voor opzegging van de arbeidsverhouding aanvoert, dat de relatie tussen de werknemer en de werkgever ernstig en duurzaam is verstoord, wordt de toestemming op die grond slechts verleend indien door de werkgever aannemelijk is gemaakt dat van zodanige verstoring inderdaad sprake is, en dat herstel van de relatie, al dan niet door middel van overplaatsing van de werknemer binnen de onderneming, niet mogelijk is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G de Bock 13 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1058
- Conclusie A-G de Bock 10 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1256
- Conclusie A-G de Bock 17 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:316
- Conclusie A-G de Bock 15 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:341
- Conclusie A-G de Bock 9 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1484
- Conclusie A-G de Bock 3 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:591
- Conclusie A-G van Peursem 29 augustus 2025, ECLI:NL:PHR:2025:617
- Conclusie A-G de Bock 14 september 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1029
- Conclusie A-G Timmerman 3 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1220
- Conclusie A-G van Peursem 28 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:672
- Rb. Noord-Holland 23 december 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10735
- Hof 's-Hertogenbosch 10 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4486
- Hof Den Haag 28 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2442
- Rb. Rotterdam 23 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3869
- Rb. Oost-Brabant 19 april 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:6203
- Rb. Noord-Nederland 14 oktober 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4698
- Rb. Gelderland 25 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:1534
- Rb. Den Haag 11 februari 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:1420
- Conclusie A-G van Peursem 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:993
- Conclusie A-G Langemeijer 24 december 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BO2420