Bijlage 4 VLG-regeling: bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen
Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG-regeling)
Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen Deze bijlage behoort bij de regeling tot wijziging van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen in verband met de omzetting van de Regeling Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen in bijlage 4 bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen. Rijkskeuringsvoorschriften betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen In deze bijlage wordt verstaan onder: In deze bijlage wordt verwezen naar onderstaande Europese normen die betrekking hebben op de daarbij genoemde onderwerpen: EN 50 020:1992: Stroomkringen met weerstand zonder cadmium, zink, magnesium of aluminium; IEC 529:1993: Degrees of protection provided by enclosures of electrical equipment (IP Code); IEC 60079–11:1999: Electrical apparatus for explosive gas atmospheres – part 11: intrinsic safety ‘i’. 1. Voertuigen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn uitsluitend tot het vervoer toegelaten indien zij zijn onderworpen aan een door of namens de directeur verrichte technische keuring, waarbij is gebleken dat is voldaan aan: 2. De directeur kan voertuigen waarvan de technische inrichting en uitrusting niet voldoen aan deze bijlage goedkeuren, indien de technische inrichting en uitrusting van de voertuigen naar het oordeel van de directeur een gelijkwaardige veiligheid bieden. 3. Met de krachtens deze regeling tot het vervoer toegelaten voertuigen worden gelijkgesteld voertuigen die aan gelijkwaardige eisen voldoen en die tot het vervoer zijn toegelaten in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte. Vervallen. 1. Wanneer schade aan een voertuig is ontstaan en een veilig vervoer van gevaarlijke stoffen daardoor niet langer is gewaarborgd, geeft de eigenaar of houder hiervan onverwijld schriftelijk kennis. De melding wordt gericht aan het keuringsstation van de
- a. directeur: Algemeen Directeur van de RDW;
- b. EN: Europese norm vastgesteld door de Europese commissie voor normalisatie (CEN);
- c. IEC: Internationaal Electrotechnical Commission;
- d. ISO: Internationale norm vastgesteld door de International Organization for Standardization;
- e. RDW: Dienst Wegverkeer;
- f. rn: randnummer in de zin van de bijlagen 1 en 2;
- g. voertuig: ingevolge rn. 9.1.2.1 van de VLG keuringsplichtig voertuig of voertuigcombinatie;
- h. VT: Divisie voertuigtechniek van de RDW;
- i. TTV: Afdeling Toelating en Toezicht Voertuigen, Productbeoordeling zwaar.
- a. de voorschriften gesteld in de bijlagen 1 en 2;
- b. de in deze bijlage genoemde voorschriften, voor zover in de bijlagen 1 en 2 niet uitdrukkelijk anders is bepaald;
- c. waar het voertuigen betreft, de Regeling voertuigen.
- a. de tank in rijdende toestand van het voertuig automatisch is vergrendeld; en
- b. het kipmechanisme tijdens het rijden niet in werking kan worden gesteld.
- a. de hete delen van de motor zoals de turbo en het uitlaatspruitstuk zich op ten minste 50 cm afstand bevinden van de ladingtank of de laadruimte; of
- b. een warmtewerend schild is aangebracht tussen de hete delen en de ladingtank of de laadruimte.
- a. het gedeelte van de uitlaatleiding dat achter de achterwand van de cabine is gelegen, is aan de bovenzijde van een metalen afschermkap voorzien waarvan de breedte aan weerszijden ten minste 2 cm meer bedraagt dan de diameter van de uitlaatleiding ter plaatse van de afschermkap;
- b. de hoek tussen de raaklijn aan de uitlaatleiding naar de rand van de afschermkap en de verticaal bedraagt ten minste 15°, waarbij de afschermkap ten minste 1 cm boven de uitlaatleiding is aangebracht;
- c. indien de uitlaat of delen daarvan onder een accubak, gereedschapkast of, bij trekkers, onder een metalen plaat tussen de cabine en de opleggerkoppeling is dan wel zijn aangebracht, behoeft het gedeelte van de uitlaatleiding dat zich hieronder bevindt, niet van de in onderdeel b bedoelde afschermkap te worden voorzien.
- a. delen van het uitlaatsysteem zich op een afstand van ten minste 50 cm van de ladingtank of de laadruimte bevinden of ten minste 20 cm van vul- en aftapleidingen van de tank; of
- b. ten genoegen van de directeur wordt aangetoond dat het oppervlak van het achter de cabine van het voertuig gelegen deel van de uitlaatleiding of van de ommanteling daarvan bij langdurige belasting van de motor een temperatuur van 200°C niet overschrijdt; of
- c. het een voertuig van de categorie N1 betreft met een gesloten opbouw die door de voertuigfabrikant is aangebracht, waar van fabriekswege maatregelen zijn genomen om opwarming van de laadvloer te voorkomen.
- a. delen van het uitlaatsysteem zich, ongeacht hun positie, op niet meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine bevinden; en
- b. de in het derde lid, onderdeel a, genoemde delen op meer dan 20 cm achter de achterwand van de bestuurderscabine doch niet boven de chassisbalken zijn aangebracht.
- a. delen van het uitlaatsysteem zich voor de voorste twist locks en niet boven de bovenzijde van de chassisbalken bevinden;
- b. de in het vierde lid, onderdeel a, genoemde delen achter de voorste twist locks en niet boven de onderzijde van de chassisbalken zijn aangebracht.
- a. de plaatsing en constructie zijn toegelaten in de typegoedkeuring; en
- b. de delen zo dicht mogelijk tegen de achterwand van de bestuurderscabine zijn aangebracht, met in achtneming van de warmtebestendigheid van de cabine.
- a. bij toepassing van andere isolatiematerialen voor de elektrische leidingen dan die, genoemd in de afbeeldingen behorend bij rn. 9.2.2.2.2, wordt de gelijkwaardigheid van de bestendigheid met de materialen, genoemd in eerdergenoemde afbeeldingen aangetoond;
- b. onder gelijkwaardigheid onder ‘normale gebruiksomstandigheden’ als genoemd in rn. 9.2.2.2.2 wordt verstaan: het zoveel mogelijk overeenkomen van het chemische en mechanische bestendigheidniveau binnen een temperatuurbereik van –40°C tot +100°C;
- c. de volgende eigenschappen van de isolatiematerialen worden bij de beoordeling in aanmerking genomen:
- 1°. de slagvastheid bij de gedefinieerde minimumtemperatuur,
- 2°. de bestendigheid tegen verweking bij de gedefinieerde maximumtemperatuur,
- 3°. de chemische bestendigheid tegen verweking of aantasting door vetten, oplosmiddelen, zuren en logen,
- 4°. bestendigheid tegen veroudering;
- d. de elektrische leidingen en armaturen vormen bij onderlinge aansluitingen een dichte afsluiting, waarbij voor zover geplaatst buiten de in artikel 54 omschreven ruimten hieraan wordt geacht te zijn voldaan bij plaatsing in een gesloten ruimte, indien de aansluitingen overeenkomen met aanduiding IP 44 overeenkomstig IEC 529 (beschermd tegen binnendringen van vaste voorwerpen en opspattend water), of overige aansluitingen, volgens aanduiding IP 54 (beschermd tegen binnendringen van stof en opspattend water);
- e. indien een accu in een gesloten kast is geplaatst welke mede is bestemd voor apparatuur zoals een hulpmotor voor de aandrijving van een pomp of compressor, wordt de bescherming van de accu geacht te voldoen aan het bepaalde in rn. 9.2.2.4 indien deze bestaat uit een isolerend deksel van metaal of van daaraan gelijkwaardig materiaal.
- a. indien gekoppeld aan het boordnet: door het bedienen van de in rn. 9.2.2.8 bedoelde hoofdschakelaar voldoet ook het door de extra accu gevoede circuit aan het bepaalde in het eerste lid;
- b. indien onderdeel van een afzonderlijk circuit:
- 1°. de accu kan door middel van een afzonderlijke hoofdschakelaar worden gescheiden van het bijbehorende circuit;
- 2°. de bedieningsinrichting van de afzonderlijke hoofdschakelaar mag in afwijking van het bepaalde in genoemd randnummer enkelvoudig zijn uitgevoerd.
- a. tankwagens uitsluitend goedgekeurd voor het vervoer van stoffen van klasse 2;
- b. tankwagens die als laatste product kerosine met identificatienummer 1223, dieselolie, gasolie, lichte stookolie met identificatienummer 1202 of bitumen met identificatienummer 3257 hebben vervoerd.
- a. de tank niet is voorzien van een inwendige bekleding;
- b. de tank uit roestvrij staal of aluminium is vervaardigd, een glad oppervlak en geen moeilijk te reinigen details bezit;
- c. de tank door middel van stomen is gereinigd, waarbij elke aanslag is verdwenen; en
- d. het inwendig betreden van de tank plaatsvindt, aansluitend op het ledigen van de tank na persing met water.
- a. geheel voldoet aan de daarvoor geldende voorschriften, zoals genoemd in artikel 3;
- b. geen gebreken vertoont, waartoe het chassis goed gereinigd is;
- c. voldoende is onderhouden.