Bijlage 2 Bdamb: behorende bij het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (Bdamb)
In deze bijlage wordt verstaan onder: met betrekking tot geluid en trilling: met betrekking tot veiligheid: met betrekking tot lozingen: met betrekking tot de kwaliteit van de bodem: 1.1.1. Voor het equivalente geluidniveau (LAeq) en het piekniveau (Lmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat: 1.1.2. Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de voorschriften 1.1.1, 1.1.7: 1.1.3. De voorschriften 1.1.1 en 1.1.7 zijn niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen. In een dergelijk gebied mag het equivalente geluidniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval: 1.1.4. Trillingen veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen niet meer dan een trillingsterkte van 0,1. De waarde geldt niet, indien de gebruiker van deze woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen. 1.1.5. In gevallen waarin op de inrichting de voorschriften 3.2, 7.2, 11.2 of 7.2 van bijlage 1 van het Besluit detailhandel milieubeheer, het Besluit brood- of banketbakkerijen milieubeheer, het Besluit doe-het-zelf-bedrijven milieubeheer onderscheidenlijk het Besluit slagerijen milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van de equivalente geluidniveaus ter plaatse van woningen in tabel I van voorschrift 1.1.1 met 5 dB verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing indien lagere waarden
- – NEN: door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;
- – ten minste gelijkwaardige instelling: instelling in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in een andere staat waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningsovereenkomst met betrekking tot het in het voorschrift bedoelde onderwerp heeft afgesloten;
- – elektrische en elektronische apparatuur: elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur;
- – categorie van gevaarlijke afvalstoffen: categorie van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen.
- – referentieniveau: de hoogste waarde van de onder a en b genoemde niveaus:
- a. het geluidniveau, uitgedrukt in dB(A), dat, gemeten over een bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf, of
- b. het optredende equivalente geluidniveau (LAeq), veroorzaakt door wegverkeersbronnen minus 10 dB, met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeersbronnen in rekening worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode;
- – bedrijfsduurcorrectie: correctie als bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai IL-HR-13–01», zijnde de logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidbron gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die beoordelingsperiode;
- – trillingsterkte: waarde van de trillinggrootheid gemeten en beoordeeld overeenkomstig de meet- en beoordelingsrichtlijn Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam.
- – brandwerendheid: aantal minuten dat een constructie haar functie moet kunnen blijven vervullen bij verhitting, bepaald volgens NEN 6069, eerste druk, oktober 1991, inclusief correctieblad, maart 1992;
- – CPR: Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen;
- – CPR 9–6: Richtlijn 9–6 van de CPR, getiteld «Vloeibare aardolieprodukten; Buitenopslag van K3-produkten in bovengronds stalen tanks (tot 150 m3)», eerste druk, uitgave 1994;
- – CPR 15–1: Richtlijn 15–1 van de CPR, getiteld «Opslag gevaarlijke stoffen in emballage; Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 ton tot 10 ton)», tweede druk, uitgave 1990;
- – zeer licht ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K0-vloeistof) met een vlampunt van minder dan 0° C en een kookpunt van 35° C of minder, alsmede gasvormige stof die of gasvormig preparaat dat bij normale temperatuur en druk aan de lucht blootgesteld, kan ontbranden;
- – licht ontvlambare stof: stof die of preparaat dat:
- a. bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie in temperatuur kan stijgen en ten slotte ontbranden;
- b. in vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron, gemakkelijk kan worden ontstoken en na verwijdering van de ontstekingsbron blijft branden of gloeien;
- c. in vloeibare toestand een vlampunt van minder dan 21°C heeft (K1-vloeistof);
- d. in gasvormige toestand, bij normale druk, met lucht ontvlambaar is, of
- e. bij aanraking met water of vochtige lucht, licht ontvlambare gassen in een gevaarlijke hoeveelheid ontwikkelt;
- – ontvlambare stof: stof of preparaat in vloeibare toestand (K2-vloeistof) met een vlampunt van ten minste 21°C en ten hoogste 55°C;
- – veiligheidsinformatieblad: een veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 31 van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
- – bedrijfsriolering: voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbaar riool of naar een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- – openbaar riool: gemeentelijke voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
- – riolering: bedrijfsriolering of voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
- – vloeistofdicht: bestand tegen en lekdicht voor de te gebruiken vloeistoffen;
- – NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Informatiecentrum Milieuvergunningen, uitgave 1997.
- a. de niveaus op de in tabel I genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
- b. in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur zijn de in tabel I opgenomen piekniveaus niet van toepassing op het laden en lossen; gedurende zes jaar na inwerkingtreding van dit besluit zijn in de periode tussen 19.00 uur en 21.00 uur de in tabel I opgenomen piekniveaus niet van toepassing op het laden en lossen in de onmiddellijke nabijheid van en ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b van dit besluit;
- c. de in tabel I aangegeven waarden binnen in- of aanpandige woningen niet gelden, voorzover de gebruiker van een woning geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen en
- d. de in tabel I aangegeven waarden voor woningen ook gelden voor andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen.
- a. blijft het stemgeluid van bezoekers op een onverwarmd en onoverdekt terrein dat onderdeel is van de inrichting, buiten beschouwing, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
- b. wordt voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.
- a. het in dat gebied heersende referentieniveau niet overschrijden, en
- b. binnen een woning op de volgende tijdstippen niet meer bedragen dan de in tabel II aangegeven waarden.
- a. treft maatregelen of voorzieningen die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt en
- b. geeft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.
- a. papier- en kartonafval;
- b. kunststofafval;
- c. elektrische en elektronische apparatuur;
- d. glasafval;
- e. groente-, fruit- en tuinafval;
- f. groenafval;
- g. houtafval en
- h. metaalafval.
- a. bedrijfsafvalstoffen bevat, waarvan kan worden voorkomen dat ze in het bedrijfsafvalwater terecht komen of die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen,
- b. een gevaarlijke afvalstof is, waarvan kan worden voorkomen dat deze in de riolering terecht komt, of
- c. stankoverlast buiten de inrichting veroorzaakt, wordt niet in een riolering gebracht.
- a. chroom- of zinkhoudende correctiemiddelen, afkomstig van het bijwerken van offset-platen,
- b. meer dan 30 mg/liter aan onopgeloste bestanddelen afkomstig van het slijpen van glazen in enig steekmonster, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988, met het daarop in 1992 uitgegeven correctieblad, of
- c. meer dan 1 mg/liter zilver, bepaald volgens NEN 6462, uitgave 1995, afkomstig van een fotografisch proces, wordt niet in een riolering gebracht.
- a. van een opslagplaats van zand of van een parkeergarage en zand bevat met een korreldiameter van meer dan 0,75 mm, bepaald met behulp van een testzeef volgens ISO 3310–1, uitgave juli 1990, of
- b. van het reinigen van rubberdoeken en drukvormen van offsetpersen, waarvan de concentratie aan minerale olie hoger is dan 200 mg/liter in enig steekmonster, bepaald volgens NEN 6675 met het daarop in 1992 uitgegeven correctieblad, wordt niet in een openbaar riool gebracht, of
- c. van een ruimte waar grafische processen plaatsvinden, en dat vrijkomt bij het reinigen van vochtrollen, wordt slechts in een openbaar riool gebracht nadat het door een filter is geleid dat deeltjes groter dan 75 micron daaruit verwijdert.
- a. belemmert niet de doelmatige werking:
- 1°. van dat riool;
- 2°. van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en
- 3°. van de apparatuur die behoort bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk;
- b. belemmert niet de verwerking van slib, verwijderd uit een openbaar riool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, en
- c. heeft geen of zo beperkt mogelijke nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.
- a. het bedrijfsafvalwater, afkomstig uit een ruimte voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, voor vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten, door een slibvangput en een vetafscheider is geleid, of
- b. de concentratie aan plantaardige of dierlijke oliën of vetten in het bedrijfsafvalwater, afkomstig uit een ruimte voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, voor vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten, niet hoger is dan 300 mg/liter in enig steekmonster, bepaald volgens NEN 6671, uitgave 1994, dan wel NEN 6672, uitgave 1994.
- a. Een slibvangput en een vetafscheider als bedoeld in voorschrift 1.3.11, onder a:
- 1°. voldoen aan NEN 7087, uitgave 1990 en de daarbij behorende bijlage met het daarop in 1992 uitgegeven correctieblad, en
- 2°. worden gedimensioneerd, geplaatst, gebruikt en onderhouden overeenkomstig NEN 7087, uitgave 1990 en de daarbij behorende bijlage met het daarop in 1992 uitgegeven correctieblad.
- b. Ten aanzien van de toepassing van NEN 7087 als bedoeld onder a, kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven. Daarbij kunnen van die NEN afwijkende voorschriften worden vastgesteld.
- c. Een slibvangput en een vetafscheider voldoen in elk geval aan NEN 7087, uitgave 1990 en de daarbij behorende bijlage met het daarop in 1992 uitgegeven correctieblad, en de onder b bedoelde ministeriële regeling, indien voor deze voorzieningen een kwaliteitsverklaring is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificeringsinstelling, waaruit blijkt dat de voorzieningen voldoen aan die NEN en de onder b bedoelde ministeriële regeling, en die voorzieningen zijn voorzien van een bij ministeriële regeling aangegeven merkteken.
- d. In afwijking van onderdeel a, onder 1°, en de voorschriften, bedoeld onder b, kunnen slibvangputten en vetafscheiders ook voldoen aan regels die ten aanzien van slibvangputten en vetafscheiders gelden in andere lidstaten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en waarmee een ten minste met de in onderdeel a, onder 1°, en onder b bedoelde voorschriften gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.
- e. Een slibvangput en een vetafscheider voldoen in elk geval aan regels als bedoeld onder d, indien voor deze voorzieningen een kwaliteitsverklaring is afgegeven door een door de Raad voor Accreditatie erkende certificeringsinstelling waaruit blijkt dat een instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, welke instelling in staat is tot het op onafhankelijke, betrouwbare en deskundige wijze beoordelen van slibvangputten en vetafscheiders, bij een keuring heeft vastgesteld dat de voorzieningen voldoen aan deze regels.
- a. een ruimte als bedoeld in voorschrift 1.3.11, onder a, dat niet is geleid door een slibvangput en een vetafscheider als bedoeld in dat voorschrift,
- b. een ruimte waar grafische processen plaatsvinden,
- c. een opslagplaats voor zand, of
- d. een parkeergarage, wordt, alvorens vermenging met bedrijfsafvalwater afkomstig uit andere ruimten plaatsvindt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.
- a. worden ten minste één meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd, of
- b. passeren voor zij naar de buitenlucht worden afgevoerd, een doelmatige ontgeuringsinstallatie.
- a. zijn de aanzuigopeningen ten behoeve van de ventilatie aangebracht:
- 1°. in een verkeersluwe omgeving of, indien dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau, en
- 2°. buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen;
- b. wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, indien binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan 5 m boven het straatniveau is gelegen, ten minste boven de hoogste daklijn van dat gebouw en
- c. bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s en ten hoogste 15 m/s.
- a. goedgekeurd door het Stoomwezen B.V. of een ten minste gelijkwaardige instelling, dan wel door een dergelijke instelling erkende deskundige; deze goedkeuring blijkt uit de op de gasfles ingeponste datum;
- b. zodanig opgesteld dat zij tegen omvallen en aanrijden zijn beschermd, steeds gemakkelijk bereikbaar zijn en niet in de onmiddellijke nabijheid van brandgevaarlijke stoffen staan;
- c. voorzover zij een brandbare inhoud hebben, zodanig opgeslagen dat zij zijn afgescheiden van flessen met een oxiderende stof door middel van een ten minste 60 minuten brandwerende scheidingswand, dan wel door middel van het aanhouden van een afstand van ten minste drie meter tussen de verschillende gasflessen en flessen met oxiderende stoffen;
- d. zodanig zijn opgesteld dat uitstromend gas zich niet in een lager gelegen ruimte of in een riolering kan verspreiden en
- e. voorzover, met uitzondering van op een laskar geplaatste flessen, meer dan 115 liter aan gassen in flessen aanwezig is, opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde kast, kluis, opslaggebouw of buitenopslag; deze opslagplaats is uitgevoerd overeenkomstig de eisen voor gevaarlijke stoffen die hiervoor zijn gesteld in CPR 15-1, met uitzondering van paragraaf 10.3 van CPR 15-1, waarbij een buitenopslag als een vatenpark moet worden gezien; een opslagplaats voor gassen is niet voor onbevoegden toegankelijk.
- a. direct voor of na binnenkomst van de leiding in een gebouw;
- b. aan het einde van elke aftakking van een vaste leiding naar een gebruikstoestel en
- c. in de leidingen op plaatsen waar de leiding geheel of gedeeltelijk kan worden gespoeld met een inert gas.
- a. gevaarlijke stoffen, niet zijnde verfproducten in metalen blikken of waterverdunbare verven, de hoeveelheid van 1 m3 niet overschrijdt;
- b. zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen, de hoeveelheid van 0,3 m3 niet overschrijdt en
- c. verfproducten in metalen blikken, de hoeveelheid van 8000 liter niet overschrijdt.
- a. worden geen gevaarlijke vloeibare stoffen of gevaarlijke vloeibare afvalstoffen in tanks opgeslagen, tenzij opslag plaatsvindt, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks van toepassing is of van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5;
- b. worden geen gassen of gasmengsels in tanks opgeslagen, tenzij opslag plaatsvindt waarop het Besluit opslag propaan milieubeheer van toepassing is en
- c. wordt geen vuurwerk opgeslagen, tenzij met inachtneming van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit ten hoogste 1000 kilogram consumentenvuurwerk wordt opgeslagen.
- a. een voor die activiteit of activiteiten gecertificeerde rechtspersoon, of
- b. een andere rechtspersoon die over aantoonbare gelijkwaardige deskundigheid beschikt voor die activiteit of activiteiten.
- a. werkt doelmatig,
- b. is te allen tijde voor controle bereikbaar, en
- c. wordt zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is, gereinigd.
- a. een vetvangend filter zo vaak als voor een goede werking nodig is, vervangen of schoongemaakt en
- b. een ontgeuringsinstallatie zo vaak als voor een goede werking nodig is, vervangen of geregenereerd.
- a. de resultaten van het op basis van de voorschriften 4.3.1 en 4.5.1 verrichte onderzoek naar de mogelijkheden tot beperking van het ontstaan van afvalstoffen respectievelijk hinder van licht;
- b. onderhoudscontracten met betrekking tot in de inrichting aanwezige installaties;
- c. certificaten of bewijzen van:
- 1°. de installatie van tanks, filters en andere voorzieningen en
- 2°. onderhoud of keuringen ten behoeve van de inrichting aanwezige installaties;
- d. jaarlijkse overzichten van nutsbedrijven van het verbruik van gas, water en elektriciteit;
- e. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;
- f. afgiftebewijzen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en
- g. een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister.
- a. voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3, 1.1.5 en 1.1.7 opgenomen waarden. Voor inrichtingen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht, mag de etmaalwaarde niet lager zijn dan 40 dB(A) en
- b. voor een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, van dit besluit gedurende drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit, nadere eisen stellen aan piekniveaus als gevolg van laden en lossen in de onmiddellijke nabijheid en ten behoeve die inrichting in de periode tussen 19.00 uur en 21.00 uur.
- a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting, voorzover maatregelen of voorzieningen onvoldoende bekend zijn, of
- b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting te treffen maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.3.1.
- a. de aanwezigheid, de uitvoering en het onderhoud van een ontgeuringsinstallatie als bedoeld in voorschrift 1.4.4, en
- b. de situering van de aanzuigopening en uitmonding van een afvoerleiding voor dampen of van een mechanische ventilatie, indien aan voorschrift 1.4.4, onder a, of voorschrift 1.4.7 niet kan worden voldaan.
- a. het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door verlichting, voorzover door afscherming en afstelling van de verlichtingsarmaturen hinder niet wordt voorkomen of beperkt, of
- b. de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door verlichting te treffen maatregelen of voorzieningen.
- a. het doen van een onderzoek onderzoek vóór de inrichting in werking is (nulsituatie-onderzoek), of het doen van een onderzoek, binnen acht weken na de beëindiging van de activiteiten in de inrichting (eindsituatie-onderzoek), naar de stoffen die door de werkzaamheden van de inrichting ter plaatse een bedreiging van de bodemkwaliteit vormen en
- b. het rapporteren van de resultaten van de onder a genoemde onderzoeken.