Bijlage A Besluit algemeen verbindendverklaring beleggerscompensatiestelsel van 17 september 1998 op grond van artikel 28a, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, enz.: beleggerscompensatieregeling van effecteninstellingen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 voor vorderingen van beleggers
De Stichting Toezicht Effectenverkeer en De Nederlandsche Bank N.V., optredend in het kader van artikel 28a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) en artikel 84 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna: Wtk 1992), hebben de navolgende regeling opgesteld in overleg met representatieve organisaties in de zin van de Wtk 1992 en de Vereniging van Commissionairs in Effecten die hierbij hebben opgetreden als organisaties van de effecteninstellingen die aan deze regeling gebonden zullen zijn in de zin van de Wte 1995. Deze regeling geeft uitwerking aan de richtlijn beleggerscompensatiestelsels van 3 maart 1997 (97/9/EG; L 84/22), voor zover deze betrekking heeft op effecteninstellingen, niet zijnde kredietinstellingen, die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte 1995. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze regeling bepaalde, wordt verstaan onder: 1. Alle deelnemende instellingen zijn jegens elkaar en jegens de Stichting Toezicht Effectenverkeer verbonden tot nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van deze regeling. 2. De Stichting Toezicht Effectenverkeer doet hierbij aan iedere deelnemende instelling het aanbod om de verplichtingen uit hoofde van deze regeling op zich te nemen, in ruil voor de aanvaarding door de deelnemende instelling van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen. Iedere deelnemende instelling dient dit aanbod schriftelijk te aanvaarden per de datum dat deze regeling in werking treedt dan wel voordat zij activiteiten ontplooit onder een te verlenen vergunning dan wel kiest voor een aanvullende deelname aan deze regeling als bedoeld in het vijfde lid. De overeenkomst met een deelnemende instelling eindigt van rechtswege zodra er geen verplichtingen van de desbetreffende deelnemende instelling jegens de Stichting Toezicht Effectenverkeer zijn noch zullen zijn krachtens deze regeling. 3. Onder de voorwaarden en beperkingen gesteld in deze regeling, betaalt de Stichting Toezicht Effec
- 1. belegger: een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap, die in verband met beleggingsverrichtingen geld of instrumenten aan een deelnemende effecteninstelling als bedoeld in het vijfde lid sub a van dit artikel heeft toevertrouwd;
- 2. beleggingsverrichtingen: de werkzaamheden vervat in de definities van effectenbemiddelaar en vermogensbeheerder in artikel 1 sub b en c Wte 1995, alsmede de bewaarneming en administratie van één of meer instrumenten, voor zover uitgevoerd door een vestiging in een lidstaat van een deelnemende instelling;
- 3. betalingsonmachtige instelling: de deelnemende instelling als bedoeld in het vijfde lid sub a van dit artikel ten aanzien waarvan de Stichting Toezicht Effectenverkeer de vaststelling als bedoeld in artikel 3, eerste lid heeft gedaan;
- 4. bijkantoor: één of meer onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een effecteninstelling, die in een andere staat is of zijn gevestigd dan die waarin die effecteninstelling is gevestigd, waarbij geldt dat indien een effecteninstelling meerdere bedrijfszetels heeft in een andere lidstaat, deze bedrijfszetels per lidstaat beschouwd worden als één bijkantoor;
- 5. deelnemende instellingen:
- a. de effecteninstellingen die gevestigd zijn in Nederland, effecteninstellingen die ingevolge ministerieel besluit als bedoeld in artikel 28a, derde lid Wte 1995 zijn aangewezen en die geregistreerd zijn krachtens artikel 21 Wte 1995 en ingevolge een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wte 1995 als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten mogen aanbieden of verrichten en effecteninstellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid sub i van de Wte 1995 voor zover zij een aanvulling wensen als bedoeld in artikel 2, vijfde lid;
- b. de instellingen die zijn geregistreerd krachtens artikel 52, tweede lid sub a Wtk 1992;
- c. de bij ministerieel besluit, genomen ingevolge artikel 84, derde lid Wtk 1992, aangewezen instellingen, voor zover deze instellingen zijn geregistreerd krachtens artikel 52, tweede lid sub b Wtk 1992;
- d. de instellingen die zijn geregistreerd krachtens artikel 52, tweede lid sub c Wtk 1992, die ingevolge artikel 2, zesde lid van de Collectieve Garantieregeling van Kredietinstellingen voor Terugbetaalbare Gelden en Beleggingen kiezen voor een aanvullende deelname aan die regeling;
- 6. eigen vermogen: het per ultimo van het jaar voorafgaande aan de toepassing van deze regeling op grond van de uitvoering van de Wte 1995 respectievelijk Wtk 1992 aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer respectievelijk De Nederlandsche Bank N.V. bekende toetsingsvermogen berekend in het kader van de toetsing inzake de kapitaaltoereikendheid wegens de richtlijn inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993, PB nr L 141) respectievelijk wegens de richtlijnen als bedoeld in artikel 20 van de Wtk 1992;
- 7. gemeenschappelijke beleggingsverrichting: een beleggingsverrichting voor rekening van twee of meer personen of ten aanzien waarvan twee of meer personen rechten hebben, welke met de handtekening van één of meer van die personen kan worden uitgeoefend;
- 8. groep: een groep vennootschappen en/of rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 1 sub g Wte 1995, respectievelijk artikel 1, eerste lid, aanhef en sub o Wtk 1992;
- 9. instrumenten:
- – effecten in de zin van artikel 1 sub a Wte 1995; en
- – rente-, valuta- of aandelenswaps of soortgelijke overeenkomsten die begrepen worden onder artikel 1 Wte 1995;
- 10. lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb 1992, 132);
- 11. regeling: deze regeling inzake het Beleggers Compensatie Stelsel van effecteninstellingen voor vorderingen van beleggers, zoals bedoeld in artikel 28a, eerste lid Wte 1995;
- 12. representatieve organisaties: representatieve organisaties zoals bedoeld in de regeling van de Minister van Financiën van 18 augustus 1997 (Staatscourant van 25 augustus 1997, nr 161) ter uitvoering van artikel 1, eerste lid sub d Wtk 1992;
- 13. richtlijn beleggerscompensatiestelsels: de richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB nr L 84/22 van 26 maart 1997);
- 14. witwassen van geld: het delict als bedoeld in artikel 1 van de richtlijn 91/308/eeg van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (PB nr L 166/77 van 28 juni 1991), zoals dit in de lidstaten of daarbuiten strafbaar is gesteld.
- a. geld dat aan die beleggers verschuldigd is of hen toebehoort en voor hen in verband met beleggingsverrichtingen wordt gehouden terug te betalen of
- b. aan die beleggers instrumenten terug te geven die hen toebehoren en namens hen in verband met beleggingsverrichtingen worden gehouden, geadministreerd of beheerd.
- a. het aantal in het kader van beleggingsverrichtingen toevertrouwde gelden of instrumenten van die belegger, en
- b. bij welk kantoor van de betalingsonmachtige instelling, in Nederland of in een andere lidstaat, beleggingsverrichtingen plaatsvonden.
- – dat de desbetreffende belegger heeft verklaard kennis te hebben genomen van de subrogatie ex artikel 6:150, aanhef en sub d BW tot de hoogte van de uitkering;
- – dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer onvoorwaardelijk en onherroepelijk tot de hoogte van de uitkering de rechten van die belegger jegens de betrokken deelnemende instelling krijgt gecedeerd; en
- – een belegger tevens eventuele rechten tot uitlevering of vergoeding van instrumenten jegens derden tot de hoogte van de uitkering cedeert aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer.
- a. ten laste van het compensatiefonds als bedoeld in artikel 16 tot een bedrag dat gelijk is aan de in het fonds aanwezige middelen en tot een maximum van € 11 344 505;
- b. het meerdere wordt tot een maximum van € 11 344 505 omgeslagen over de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a volgens de in artikel 11 neergelegde regeling;
- c. het eventueel resterende bedrag, bóven de omslag als bedoeld onder a vermeerderd met de betaling als bedoeld onder b, wordt over de deelnemende instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid sub a tot en met d omgeslagen volgens de in artikel 12 neergelegde regeling.
- 1. beleggers wier vorderingen voortvloeien uit transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van geld;
- 2. professionele en institutionele beleggers, waaronder:
- – beleggingsondernemingen als gedefinieerd in artikel 1, punt 2 van Richtlijn 93/22/EEG (d.d. 10 mei 1993; L 141/27);
- – kredietinstellingen als gedefinieerd in artikel 1, eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG (d.d. 12 december 1977; L 322/30);
- – financiële instellingen als gedefinieerd in artikel 1, punt 6, van Richtlijn 89/646/EEG (d.d. 15 december 1989; L 386/1);
- – verzekeringsondernemingen;
- – instellingen voor collectieve belegging;
- – pensioenfondsen;
- – overige professionele en institutionele beleggers;
- 3. de Nederlandse Staat en centrale overheden;
- 4. provinciale, regionale, plaatselijke of gemeentelijke overheden;
- 5. beleggers die tevens zijn:
- – bestuurders, beheerders, en hoofdelijk aansprakelijke vennoten van de betalingsonmachtige instelling;
- – (rechts)personen die voor tenminste 5% in het kapitaal van de betalingsonmachtige instelling deelnemen;
- – (rechts)personen die met de wettelijke controle van de jaarrekening van de betalingsonmachtige instelling zijn belast;
- – (rechts)personen met een soortgelijke status bij andere ondernemingen in dezelfde groep als de betalingsonmachtige instelling;
- 6. naaste verwanten van de in punt 5 bedoelde beleggers en derden die voor rekening van deze beleggers optreden. Met naaste verwanten wordt in dit verband bedoeld, familieleden in de eerste en tweede graad, alsmede de eventuele echtgenoten en (geregistreerde) partners van deze beleggers. Met betrekking tot deze partners dient uit notariële stukken te blijken dat zij de partner zijn van de in punt 5 genoemde personen, tenzij zij geregistreerd partner zijn;
- 7. ondernemingen die deel uitmaken van dezelfde groep als de betalingsonmachtige instelling;
- 8. beleggers die verantwoordelijkheid dragen voor, dan wel voordeel hebben gehaald uit bepaalde feiten die verband houden met de betalingsonmachtige instelling, indien die feiten tot de financiële problemen van de onderneming geleid hebben, of indien die tot verslechtering van haar financiële positie hebben bijgedragen;
- 9. ondernemingen van zodanige omvang dat zij geen verkorte balans overeenkomstig artikel 11 van de Vierde richtlijn van de Raad d.d. 25 juli 1978, op de grondslag van artikel 54, derde lid, onder g, van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen mogen opstellen (78/660/EEG; L 222/11, zoals sindsdien gewijzigd).