Bijlage C Besluit staten pensioenfondsen: behorende bij artikel 6, eerste lid, van dit besluit
Besluit staten pensioenfondsen
Het bedrag van de boete voor overtreding van de voorschriften, gesteld bij de artikelen 2, eerste, derde en vierde lid, 3, eerste, derde en vierde lid, 4 en 5, tweede en zesde lid, van dit besluit bedraagt € 453. 1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een voorschrift als bedoeld in artikel 1 is bij de vaststelling van de hoogte van de boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor: Categorie I: fondsen en beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van minder dan € 9 075 604: factor 1; Categorie II: fondsen en beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste € 9 075 604 maar minder dan € 45 378 022: factor 2; Categorie III: fondsen en beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste € 45 378 022 maar minder dan € 226 890 108: factor 3; Categorie IV: fondsen en beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van ten minste € 226 890 108 maar minder dan € 453 780 216: factor 4; Categorie V: fondsen en beroepspensioenfondsen met een balanstotaal van € 453 780 216 of meer: factor 5. 2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, genoemd in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor, behorende bij de categorie naar balanstotaal. 3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan de Pensioen- & Verzekeringskamer beschikbaar zijn gesteld, kan zij aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door haar te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing. Op grond van artikel 23e, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.