Bijlage 3 Uitvoeringsregeling BSE 1998-III
Uitvoeringsregeling BSE 1998-III
Doelstelling van het programma Apparaten is het verbeteren van de energie-efficiency van apparaten alsook het veranderen van aankoop- en gebruikersgedrag zodat binnen 5 à 10 jaar een bijdrage wordt geleverd aan de realisatie van de efficiency doelstellingen zoals geformuleerd in de Derde Energienota 1996. Het programma heeft betrekking op gasgestookte en elektrische apparaten gebruikt in woningen en utiliteitsgebouwen. Onder apparaten wordt verstaan vrijstaande apparaten en (componenten van) installaties. Binnen het programma wordt prioriteit gegeven aan projecten die betrekking hebben op: De voornaamste soorten projecten die in 1998 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: Toelichting op bovengenoemde beoordelingsaspecten. ad a .De slaagkans van de projecten moet zijn aangetoond. Voor de beoordeling van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met het financiële draagvlak van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen worden ondersteund als de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende zijn aangetoond. ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden (ton/jaar) binnen een periode van vijf jaar en tien jaar. ad c. Er wordt rekening gehouden met de bereikbare penetratie van een maatregel binnen een periode van vijf tot tien jaar met de daarbij behorende mogelijke energiebesparing. Daarbij is het herhalingspotentieel en het maatschappelijk draagvlak bij relevante marktpartijen van belang. ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdiensten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energie (gulden/GJ) binnen een periode van vijf jaar en tien jaar. ad
- vrijstaande apparaten voor witgoed, bruingoed, verlichting, apparatuur voor informatietechnologie en communicatie (grijsgoed), productkoeling (in midden- en kleinbedrijf) en drankautomaten;
- (componenten van) installaties voor tapwaterverwarming, ruimteverwarming, ventilatie, koeling en verlichting.
- haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten, onderzoek naar en ontwikkeling van energiezuinige vrijstaande apparaten: witgoed, bruingoed, verlichting (lichtbron, armatuur en regeling), apparatuur voor informatietechnologie en communicatie (grijsgoed), productkoeling en drankautomaten;
- demonstratie, marktintroductie en kennisoverdracht van reeds bestaande zeer energie-zuinige vrijstaande apparaten: witgoed, bruingoed, verlichting (lichtbron, armatuur en regeling), apparatuur voor informatietechnologie en communicatie (grijsgoed), productkoeling en drankautomaten;
- haalbaarheidsprojecten, praktijkexperimenten, onderzoek naar en ontwikkeling van energiezuinige componenten van installaties voor warmtapwater en klimatisering in woningen en/of utiliteitsgebouwen;
- demonstratie en marktintroductie van innovatieve technieken voor installaties voor warmtapwater en klimatisering in woningen en/of utiliteitsgebouwen alsmede voor verlichting in utiliteitsgebouwen.;
- het ontwikkelen van praktijkrichtlijnen voor energiezuinige componenten van installaties;
- haalbaarheidsprojecten, onderzoek en ontwikkeling, praktijkexperimenten, demonstratie en marktintroductie van componenten voor energiebeheersystemen en energieverbruiks-informatie (bijvoorbeeld telemetrie en productgeïntegreerde feedback);
- kennisoverdracht aan consumenten, gebruikers en professionele inkopers van apparaten met het oog op de aanschaf van energiezuinige apparaten en het tegengaan van verspilling van energie bij het gebruik van apparaten;
- marktintroductie en kennisoverdracht voor individuele warmtekostenverdeelsystemen ter bevordering van deze toepassing bij onbemeterde woningen van één eigenaar, uit te voeren door woningbeheerders of -eigenaren.
- a. de slaagkans van het project;
- b. de milieuverdienste van het project;
- c. de mate waarin het project reproduceerbaar is en de mate waarin verwacht mag worden dat de resultaten van het project tot verdere verbreiding van de toepassing zullen leiden;
- d. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;
- e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;
- f. de (kost)prijsverlaging van een voor het programma relevante techniek;
- g. de mogelijkheden voor internationale samenwerking;
- h. de nieuwheid van het project;
- i. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen.
- toepassing van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;
- het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.