Art. 29 E-wet, Tariefstructuren en voorwaarden
Elektriciteitswet 1998 (E-wet)
1. Het tarief waarvoor transport van elektriciteit zal worden uitgevoerd heeft betrekking op de ontvangst en het invoeden van elektriciteit door afnemers, ongeacht de plaats van ontvangst of invoeding van de elektriciteit en ongeacht de plaats van de aansluiting waar de elektriciteit op het Nederlandse net is ontvangen of ingevoed en op systeemdiensten.
2. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt in rekening gebracht bij iedere afnemer die elektriciteit ontvangt op een aansluiting op een net dat wordt beheerd door een netbeheerder. Het tarief kan verschillen voor verschillende afnemers, afhankelijk van het spanningsniveau van het net waarop de afnemer is aangesloten. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het tarief tevens in rekening wordt gebracht bij iedere afnemer die elektriciteit invoedt op een net dat wordt beheerd door een netbeheerder. In dat geval kan het tarief tevens verschillen voor het ontvangen of het invoeden van elektriciteit.
3. Het transporttarief wordt berekend per aansluiting. Voor de toepassing van het transporttarief wordt een streng van lichtmasten geacht te beschikken over één aansluiting.
4. In aanvulling op het bepaalde bij of krachtens het eerste, tweede en derde lid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot het tarief waarvoor transport van elektriciteit zal worden uitgevoerd ten behoeve van bij die maatregel aan te geven afnemers dan wel voor daarbij te omschrijven transport van elektriciteit.
5. Het tarief, bedoeld in het eerste lid, dient mede ter dekking van de kosten die zijn verbonden aan verplichtingen die voor het tijdstip van intrekking van de Elektriciteitswet 1989 door de aangewezen vennootschap zijn aangegaan met betrekking tot de aanleg van een verbinding voor het transport van elektriciteit tussen Nederland en Noorwegen.
6. De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 5 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:45
- CBb 24 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:348
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3783
- Hof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1105
- HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4063
- CBb 1 februari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV3169
- CBb 25 januari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV2638
- Rb. Gelderland 23 december 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:6254
- Rb. Gelderland 5 juli 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5711
- Conclusie A-G Drijber 17 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:587
- HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:452
- Hof 's-Hertogenbosch 10 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2935
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3719
- CBb 10 februari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:47
- CBb 11 juli 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BB0419
- CBb 11 februari 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AS7083
- CBb 2 augustus 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE7299
- Rb. Utrecht 28 mei 2003, ECLI:NL:RBUTR:2003:AF9373
- Rb. Rotterdam 28 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:1472
- Rb. Rotterdam 16 januari 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BC4114