Art. 18 BOOT, Overgangsbepalingen
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 (BOOT)
1. Indien het opslaan van een vloeistof in een bestaande ondergrondse tank voor 1 maart 1993 is beëindigd en na die beëindiging in de desbetreffende tank niet een andere vloeistof werd opgeslagen, wordt dit door de eigenaar van die tank, uiterlijk 1 september 1993 gemeld aan het bevoegd gezag.
2. De in het eerste lid bedoelde melding is niet vereist, indien werd opgeslagen in een ondergrondse tank binnen een inrichting en voor de inrichting een vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover de desbetreffende vergunning mede betrekking heeft op het opslaan in die tank van vloeibare brandstof of afgewerkte olie.
3. In een geval als bedoeld in het eerste lid verwijdert de eigenaar van de desbetreffende tank de tank of maakt die onklaar uiterlijk 31 december 1998. Het verwijderen of onklaar maken geschiedt overeenkomstig de voorschriften, opgenomen in bijlage VI.
4. Indien de tank op 1 januari 1999 nog niet is verwijderd of onklaar is gemaakt wordt deze zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen acht weken nadat de eigenaar met de aanwezigheid van de tank bekend is, verwijderd tenzij verwijdering als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval moet de tank onklaar gemaakt worden. Het verwijderen of onklaar maken geschiedt overeenkomstig de voorschriften, opgenomen in bijlage VI.
5. De in het derde en vierde lid, eerste volzin, bedoelde verplichtingen gelden niet, indien werd opgeslagen in een ondergrondse tank binnen een inrichting en de eigenaar van de betrokken tank op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bevoegd is in die tank een andere vloeistof op te slaan.
6. De in het derde lid bedoelde verplichting om de tank te verwijderen geldt ook niet, indien uit de desbetreffende tank de vloeistof is verwijderd en de tank onklaar is gemaakt voor 1 maart 1993; in dat geval kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van de bodem aanvullende maatregelen verlangen overeenkomstig bijlage VI.
7. In afwijking van artikel 13, vierde lid, mag tot en met 31 december 1998 een tank, waarvan het beëindigen van het gebruik overeenkomstig artikel 13, eerste lid, is gemeld, onklaar worden gemaakt, onafhankelijk van de ligging van die tank.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 25 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK4303
- ABRvS 22 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9500
- ABRvS 8 juni 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6980
- ABRvS 13 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR2500
- ABRvS 6 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ6629
- ABRvS 21 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ3654
- ABRvS 16 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO7970
- ABRvS 24 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AO0767
- ABRvS 3 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1787
- ABRvS 14 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF8618
- ABRvS 22 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2829
- Conclusie A-G Keus 30 januari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG5255
- Hof 's-Gravenhage 19 januari 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BK9809
- Hof Arnhem 1 oktober 2002, ECLI:NL:GHARN:2002:AF1047