Bijlage 9 Uitvoeringsregeling BSE 1998-II
Uitvoeringsregeling BSE 1998-II
Het doel van het programma is het op termijn bijdragen aan een betaalbare duurzame samenleving door integratie van energiebesparingsvoorzieningen en duurzame energievoorziening in de woning- en utiliteitsbouw. Het programma is ingedeeld in twee onderdelen: Ontwikkeling van energiezuinige ontwerpen voor woonwijken en utiliteitsbouw, waarbij zowel sprake is van bouwkundige, bouwfysische als installatietechnische maatregelen om het fossiele energieverbruik te reduceren. Naast genoemde besparingsmaatregelen moet tevens aandacht worden besteed aan duurzame energievoorziening en energie-infrastructuur. De te ontwikkelen energiezuinige ontwerpen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: bovendien dient bij nieuwbouw woningen het totale energieverbruik (dus inclusief het energieverbruik voor apparaten en verlichting) maximaal 60 GJ/jaar te zijn (NOVEM doorzonwoning), waarvan 10% duurzaam moet worden ingevuld; bij nieuwbouw kantoren moet van de resterende energiebehoefte 10% duurzaam worden ingevuld; De voornaamste soorten projecten die in 1998 voor subsidie in aanmerking komen zijn: haalbaarheidsprojecten, bedoeld om de financiële en technische haalbaarheid van mogelijke energiezuinige ontwerpen aan te tonen, knelpunten te analyseren en oplossingsrichtingen aan te geven. Praktijkexperimenten gericht op het opdoen van praktische ervaring, respectievelijk het aantonen van praktische werking van energiezuinige concepten zoals omschreven in onderdeel 1, dan wel gericht op essentiële componenten van deze energiezuinige concepten voor zover deze separaat te beproeven zijn. De projecten moeten op termijn passen binnen de operationele doelstellingen van het programma. Voor nieuwbouw luidt deze: het realiseren van een energetisch neutrale stadswijk voor het jaar 2010, waarvan de realisatiekosten 10% boven een traditionele bouw op het moment van realiseren liggen, gericht op een substantiële vermindering van de energiebehoefte en inzet van duurzame energie. Voor renovatieprojecten
- de energieprestatie-coëfficiënt dient lager te zijn dan:
- 0,7 voor nieuwbouw woningen;
- 1,0 voor renovaties woningbouw;
- 1,3 voor nieuwbouw kantoren;
- 1,6 voor renovaties kantoren;
- de energieprestatie wordt gerealiseerd door optimale combinatie van besparingsmaatregelen en/of duurzame energievoorziening en/of efficiënte inzet van fossiele energie, in deze volgorde van belangrijkheid; optimaal betekent hier zo laag mogelijke meerinvestering, met als resultaat concepten die trendsettend zijn voor de ontwikkelingen van de bouwmarkt op middellange termijn;
- onder besparingsmaatregelen worden tevens maatregelen verstaan die betrekking hebben op energieverbruik voor apparatuur en verlichting;
- de te ontwikkelen energiezuinige concepten moeten betrekking hebben op projecten met een reëel uitzicht op het realiseren daarvan.
- a. de slaagkans;
- b. de milieuverdienste van het project;
- c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;
- d. de projectkosten in relatie tot het totaal beschikbare budget en in relatie tot de bijdrage van het project aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;
- e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de bestaande en toekomstige markt;
- f. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatietraject;
- g. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.