Art. 1 Vaststelling aanwijzingen inzake verrichten marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst, Achtergrond van de aanwijzingen
De laatste jaren is in toenemende mate aandacht ontstaan voor ongelijkheden die zich kunnen voordoen in concurrentieverhoudingen, indien de overheid concurreert met het bedrijfsleven. Ook in het parlement is hiervoor regelmatig aandacht gevraagd.
Voor deze toenemende aandacht kunnen verschillende beweegredenen worden aangegeven. In de afgelopen decennia is het beleid van de rijksoverheid in belangrijke mate gericht geweest op het saneren van de overheidsfinanciën en het op afstand plaatsen en verzelfstandigen van de uitvoering van overheidstaken. Tegen die achtergrond hebben publieke organisaties marktactiviteiten ontwikkeld, waarbij zij door hun exclusieve of bijzondere rechten en de daaraan verbonden continuïteitswaarborg een voorsprong hebben op de private markt. Er ging daarbij relatief weinig aandacht uit naar eventuele marktverstoringen die als gevolg van een dergelijk optreden kunnen ontstaan.
Overheidsorganisaties en daaraan gelieerde organisaties die in concurrentie treden met particuliere ondernemingen, hebben hierbij vaak een gunstigere uitgangspositie. Zij kunnen bij het verrichten van marktactiviteiten gebruik maken van voordelen die zijn verbonden aan de uitoefening van een overheidstaak, zoals het beschikken over publieke middelen en gegevensbestanden of het ontbreken van bepaalde fiscale heffingen. Dit kan leiden tot een ongelijk speelveld tussen aanbieders in de markt en daarmee tot een belemmering voor het dynamisch functioneren van de Nederlandse goederen- en dienstenmarkten.
Brede consensus bestaat over het besef dat goed functionerende goederen- en dienstenmarkten van cruciaal belang zijn voor het aanpassings- en vernieuwingsvermogen van een economie en daarmee voor het perspectief op een duurzame economische ontwikkeling. Met het oog daarop is met ingang van 1 januari 1998 ook een nieuwe Mededingingswet in werking getreden. In het verlengde daarvan dient ook het optreden van de overheid op private markten aan strikte regels gebonden te zijn als noodzakelijk complement op de aanscherping van het mededingingsbeleid voor private ondernemingen. In het kader van de parlementaire behandeling van de Mededingingswet is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor concurrentieverstorend optreden door de overheid. Bij de behandeling van het eindrapport van de MDW-werkgroep ’Markt en Overheid’ (zie paragraaf 2) is deze behoefte andermaal door de Tweede Kamer bevestigd door middel van een motie, waarin is aangedrongen op een voortvarende implementatie van de aanbevelingen van de werkgroep in zijn algemeenheid en voor de rijksoverheid in het bijzonder (kamerstukken II, 1996/97, 24036, nr. 45).
De toegenomen aandacht voor het marktoptreden door de overheid is niet alleen terug te voeren op het aspect van economische verstoringen die van een dergelijk optreden het gevolg kunnen zijn. Ook andere wezenlijke aspecten, zoals de integriteit en de legitimiteit van de overheid, kunnen in het geding komen wanneer overheidsorganisaties marktactiviteiten ontplooien.
Marktactiviteiten in concurrentie met derden dienen, gelet op de effecten van deze activiteiten voor andere aanbieders van marktgoederen, onderhevig te zijn aan een expliciete belangenafweging door de wetgever. Dit is door het kabinet vastgesteld naar aanleiding van de toetsing van (markt-)activiteiten op het niveau van de rijksoverheid (kamerstukken II, 1997/98, 24036, nr. 78).