Art. 2.11.3 Regeling permanente eisen, Bijzondere koppelingen
1. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen zoals weergegeven in figuur 32, moet de koppelingspen respectievelijk de koppelingsplaat voldoen aan de volgende eisen:
de inwendige diameter van de koppelingspen mag niet meer dan 112 mm bedragen;
1°. binnen een cirkel met een straal van 0,26 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen mag:
1°. de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 2,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 33 en 34;
2°. in de koppelingsplaat geen deuk voorkomen;
3°. de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.
2. Het eerste lid geldt niet voor de van fabriekswege aangebrachte gaten zoals ontwateringsgaten.