Bijlage I Rvga: voorschriften voor installaties als bedoeld in artikel 2, onder a en c
Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen (Rvga)
- 1.1 Degene die de inrichting drijft, neemt gevaarlijke afvalstoffen niet in ontvangst dan nadat door de ontdoener van de gevaarlijke afvalstoffen ten minste gegevens verstrekt zijn over:
- a. de stoffen waarmee zij niet mogen worden gemengd;
- b. de bij de behandeling te treffen voorzorgsmaatregelen.
- 1.2 Degene die de inrichting drijft, neemt gevaarlijke afvalstoffen niet in ontvangst dan nadat hij ten minste:
- a. de massa van de gevaarlijke afvalstoffen heeft bepaald;
- b. de gevaarlijke afvalstoffen representatief heeft bemonsterd en geanalyseerd.
- 1.3 De monsters, bedoeld in 1.2, onder b, worden ten minste gedurende een maand na het verbranden van de partij, waaruit de monsters genomen zijn, bewaard. De omstandigheden waaronder de monsters worden bewaard, zijn zodanig dat de fysische en chemische samenstelling niet verandert.
- 1.4 Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen bepalen dat mag worden afgeweken van de voorschriften, bedoeld in 1.2 onder a en b.
- 2.1 Een installatie is voorzien van:
- a. branders die automatisch in werking treden, zodra in een verbrandingsoven de temperatuur daalt onder de in 3.2 bedoelde waarden;
- b. een systeem dat de toevoer van gevaarlijke afvalstoffen naar een verbrandingsoven voorkomt, indien:
- 1º tijdens het starten de temperatuur in een verbrandingsoven, bedoeld in 3.2, nog niet bereikt is of niet behouden blijft;
- 2º de temperatuur in een verbrandingsoven, bedoeld in 3.2, niet behouden blijft;
- 3º de in 5.1 onder a en 5.1 onder c bedoelde continumetingen uitwijzen dat als gevolg van storingen of defecten aan de rookgasreinigingsinstallatie emissie-eisen bedoeld onder 4 worden overschreden;
- c. een voorziening voor de reiniging van rookgassen;
- d. een schoorsteen waarin het rookgas gecontroleerd wordt geëmitteerd, en die zo hoog is dat een voldoende verspreiding van de rookgassen is gewaarborgd;
- e. een vloeistofdicht bassin met voldoende capaciteit voor de opvang van
- 1º wegvloeiend verontreinigd hemelwater van het terrein van de installatie;
- 2º verontreinigd water, ontstaan als gevolg van overlopen;
- 3º verontreinigd water, ontstaan bij de brandbestrijding;
- f. waterdichte en stofvrije houders voor de opslag van door de werking van de installatie ontstane stofvormige droge stoffen;
- g. meet- en bemonsteringspunten.
- 2.2 De capaciteit van het in 2.1 onder e bedoelde bassin is zodanig dat het water, alvorens het wordt geloosd, getest en zo nodig gezuiverd kan worden;
- 2.3 Het bevoegd gezag kan bij nadere eis:
- a. de in 2.1 onder d bedoelde hoogte van de schoorsteen vaststellen;
- b. de in 2.1 onder g bedoelde plaats van meet- en bemonsteringspunten vaststellen.
- 2.4 Het bevoegd gezag kan bepalen dat mag worden afgeweken van het voorschrift 2.1 onder c, indien degene die de inrichting drijft, aantoont dat aan de voorschriften, bedoeld in 3 en in 4 is voldaan.
- 3.1 De gevaarlijke afvalstoffen moeten zo volledig mogelijk worden verbrand.
- 3.2 De temperatuur bedraagt aan of nabij de binnenwand van de verbrandingsoven tijdens de verbranding ten minste:
- 850 °C, onderscheidenlijk
- 1100 °C, indien gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt als chloor, worden verbrand.
- 3.3 De verblijftijd van de rookgassen bedraagt na de laatste toevoer van verbrandingslucht ten minste twee seconden onder de omstandigheden, bedoeld in 3.2.
- 3.4 Het volumegehalte aan zuurstof bedraagt ten minste:
- 6%, onderscheidenlijk
- 3%, indien:
- de verbrandingsoven wordt gestookt met uitsluitend vloeibare gevaarlijke afvalstoffen, of
- de verbrandingsoven wordt gestookt met een mengsel van gasvormige stoffen en poedervormige vaste stoffen afkomstig van een thermische voorbehandeling van gevaarlijke afvalstoffen in een zuurstofarme omgeving en meer dan 50% van de totale hoeveelheid vrijkomende warmte geleverd wordt door de gassen.
- 4.1 Per component bedraagt de uitworp van de rookgassen niet meer dan de hieronder vermelde emissie-eis:
- 4.2 Voor koolmonoxide-emissies geldt een emissie-eis van 100 mg/m³ bepaald als halfuurgemiddelde bij alle metingen in een willekeurige periode van 24 uur, of een emissie-eis van 150 mg/m³ bepaald als gemiddelde over 10 minuten bij ten minste 95% van de metingen in een willekeurige periode van 24 uur.
- 4.3 De massa zware metalen, PCDD’s en PCDF’s in het geloosde afvalwater bedraagt per 24 uur niet meer dan de massa aan zware metalen, PCDD’s en PCDF’s die per 24 uur in het rookgas geëmitteerd wordt. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een vergunning voor het lozen van afvalwater kan ten aanzien daarvan nadere eisen stellen.
- 4.4 Het bevoegd gezag kan bepalen dat mag worden afgeweken van de voorschriften 3.2, 3.3 en 3.4 van deze bijlage, indien degene die de inrichting drijft, aantoont dat aan voorschrift 4.1 is voldaan.
- 5.1
- a. Bij de uitworp van de rookgassen worden continu gemeten:
- de concentraties van de volgende componenten:
- koolmonoxide
- totaal stof
- CxHy
- waterstofchloride
- waterstoffuoride
- zwaveldioxide;
- waterdamp;
- de druk.
- b. Bij de uitworp van de rookgassen worden de concentraties van de volgende componenten afzonderlijk gemeten:
- totaal cadmium en thallium
- kwik
- totaal zware metalen
- PCDD’s en PCDF’s.
- c. Bij de verbranding worden de volgende procesparameters continu gemeten:
- de minimumtemperatuur, bedoeld in 3.2
- het zuurstofgehalte, bedoeld in 3.4.
- 5.2 Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk na één maand nadat de installatie in bedrijf is gesteld, vindt een controle plaats van de verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de rookgassen in de vuurhaard;
- 5.3 Binnen zes maanden, nadat de installatie in bedrijf is gesteld, vindt een controle plaats van de verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de rookgassen in de vuurhaard onder door het bevoegd gezag te omschrijven slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden.
- 5.4 De afzonderlijke metingen van de componenten, bedoeld in 5.1 onder b, worden ten minste twee maal per jaar verricht; gedurende de eerste twaalf maanden na het in bedrijf stellen van de installatie worden deze metingen om de twee maanden verricht.
- 5.5 Continumeting van waterdamp is niet nodig, indien de als monster gebruikte rookgassen worden gedroogd alvorens de emissies worden geanalyseerd.
- 5.6
- a. De resultaten van de metingen, bedoeld in 5.1. worden geregistreerd.
- b. De onder a bedoelde resultaten worden op een zodanige wijze geregistreerd, uitgewerkt en gerapporteerd aan het bevoegd gezag dat het bevoegd gezag kan nagaan of aan de in deze bijlage gestelde voorschriften is voldaan. Het bevoegd gezag kan aan de registratie, uitwerking en rapportage nadere eisen stellen.
- 5.7 Het geloosde afvalwater wordt ten minste voor de volgende componenten volumeproportioneel gemeten: Het bevoegd gezag voor het verlenen van een vergunning voor het lozen van afvalwater kan daarbij nadere eisen stellen.
- zware metalen;
- PCDD’s;
- PCDF’s.
- 5.8 Indien degene die de inrichting drijft, aantoont dat de verbranding slechts wordt toegestaan voor gevaarlijke afvalstoffen die geen gemiddelde waarden voor verontreinigende stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10% van de emissie-eisen, bedoeld onder 4.1, kan het bevoegd gezag bepalen dat mag worden afgeweken van de voorschriften voor het meten van deze componenten, bedoeld in 5.1 onder a en b. Van deze mogelijkheid zijn uitgezonderd het meten van de waterdamp en de druk, alsmede de emissies van koolmonoxide, PCCD’s en PCDF’s.
- 6.1 Bij een continumeting als bedoeld in 5.1, onder a, is de emissie-eis voor halfuurgemiddelden in acht genomen indien ofwel alle halfuurgemiddelden over elk kalenderjaar de in 4.1 in kolom A bedoelde emissie-eis niet overschrijden ofwel 97 procent van de halfuurgemiddelden over elk kalenderjaar de in 4.1 in kolom B bedoelde emissie-eis niet overschrijdt. Dit geldt niet voor de continumeting van koolmonoxide.
- 6.2 Bij een continumeting als bedoeld in 5.1, onder a, is de emissie-eis voor daggemiddelden in acht genomen, indien alle daggemiddelden de in 4.1 bedoelde emissie-eis niet overschrijden.
- 6.3 Bij een afzonderlijke meting als bedoeld in 5.1, onder b, is de emissie-eis in acht genomen, indien alle gemiddelden over de meetperiode de in 4.1 bedoelde emissie-eis niet overschrijden.
- 6.4 Bij een continumeting als bedoeld in 5.1, onder a, voor de component koolmonoxide is de emissie-eis in acht genomen indien ofwel alle halfuurgemiddelden over een willekeurige periode van 24 uur ofwel 95 procent van de 10-minuten gemiddelden over een willekeurige periode van 24 uur de in 4.2 bedoelde emissie-eis niet overschrijden.
- 6.5 Bij een continumeting als bedoeld in 5.1, onder a, is de emissie-eis voor halfuurgemiddelden voor koolmonoxide in acht genomen, indien de rekenkundig halfuurgemiddelden over elk kalenderjaar de in 4.1 bedoelde emissie-eis niet overschrijden.
- 6.5A Continumeting van waterstoffuoride, als bedoeld in 5.1, onder a, mag achterwege blijven indien voor waterstofchloride behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de emissiewaarden voor waterstofchloride, als bedoeld in 4.1, niet worden overschreden.
- 7.1 Indien uit de metingen, bedoeld in 5.1, blijkt dat niet aan de voorschriften, bedoeld in 4 en 6, ten aanzien van de emissie-eisen wordt voldaan, stelt degene die de inrichting drijft, het bevoegd gezag daarvan onmiddellijk op de hoogte en draagt deze er zorg voor dat de werking van het betrokken gedeelte van de installatie zo spoedig mogelijk wordt beperkt of gewijzigd of dat het betrokken gedeelte buiten werking wordt gesteld. In de betrokken installatie worden geen gevaarlijke afvalstoffen verbrand zolang de emissie-eisen niet in acht worden genomen, totdat het bevoegd gezag toestemming heeft gegeven voor de hervatting van het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen.
- 7.2 Indien ten gevolge van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Wet milieubeheer, niet meer wordt voldaan aan de emissie-eisen, stelt het bevoegd gezag de maximaal toelaatbare periode vast gedurende welke de emissie-eisen mogen worden overschreden. De installatie mag in geen geval langer dan vier uur onafgebroken met de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen voortgaan; de totale tijdsduur waarin de installatie in de loop van een jaar onder die omstandigheden in bedrijf is, mag niet meer dan 60 uur bedragen. Onder deze omstandigheden mag het totale stofgehalte in de rookgassen niet meer bedragen dan 150 mg/m³, uitgedrukt als halfuurgemiddelde. Voorts mag de emissie-eis voor CxHy, bedoeld in 4.1, niet worden overschreden. Aan de voorschriften, bedoeld in 5, onder a, bedoeld in 2.1 onder a, b, d en bedoeld in 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 4.1, 4.2, dient te worden voldaan.
- 8.1 Vervoer van door de werking van de installatie ontstane stofvormige reststoffen op het terrein van de inrichting en nabij de inrichting gebeurt in waterdichte en stofvrije verpakkingen.
- 8.2 Door de werking van de installatie ontstane reststoffen worden gescheiden van elkaar gehouden in afwachting van de keuze voor het verdere beheer.
- 8.3 Alvorens de methoden van verwijdering of nuttige toepassing van de verbrandingsreststoffen vast te stellen, worden tests uitgevoerd om de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigende vermogen van de verschillende verbrandingsreststoffen vast te stellen.