Art. 2.5:1 ATB vervoer, Rusttijd
Arbeidstijdenbesluit vervoer (ATB vervoer)
1. In plaats van de artikelen 5:3, tweede en derde lid, en 5:5, tweede en derde lid, van de wet wordt dit artikel toegepast.
2. De bestuurder die vervoer anders dan taxivervoer verricht, en de bijrijder handelen in overeenstemming met:
a. voor zover van toepassing, de artikelen 8 en 9 van verordening (EG) nr. 561/2006;
b. voor zover van toepassing, in overeenstemming met artikel 8 van het AETR-verdrag; of
c. voor zover van toepassing, artikel 6 van deel b, afdeling 2, van bijlage 31 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst.
3. De werkgever handelt in overeenstemming met artikel 8, lid 8 bis, van verordening (EG) nr. 561/2006.
4. De werknemer die taxivervoer verricht, heeft:
a. in elke aaneengesloten periode van 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 10 uren; en
b. in elke aaneengesloten periode van 7 maal 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren.
5. Van het vierde lid kan, met inachtneming van het zesde lid, slechts bij collectieve regeling worden afgeweken. Elk beding waarbij op andere wijze dan in de vorige volzin is bepaald, wordt afgeweken van het vierde lid is nietig.
6. De werkgever organiseert de werkzaamheden zodanig, dat de werknemer die taxivervoer verricht:
a. in elke aaneengesloten periode van 24 uren een onafgebroken rusttijd van ten minste 10 uren heeft, welke rusttijd tweemaal in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren; en
b. in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren een rusttijd van 72 uren heeft, welke mag worden gesplitst in perioden van ten minste 24 uren.
7. De in het vierde en zesde lid bedoelde periode begint op het eerste tijdstip van de dag waarop de arbeid van de werknemer aanvangt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 11 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH5515
- ABRvS 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4257
- ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5985
- ABRvS 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3301
- ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2327
- ABRvS 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4744
- ABRvS 3 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI6094
- ABRvS 28 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1129
- Conclusie A-G De Bock 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:987
- HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7106
- ABRvS 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:632
- ABRvS 23 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1863
- ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3039
- ABRvS 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:669
- ABRvS 16 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU4607
- ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6984
- ABRvS 21 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1951
- ABRvS 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4626
- ABRvS 25 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH7704
- Rb. Zutphen 3 oktober 2005, ECLI:NL:RBZUT:2005:AU4020