Bijlage H Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit
Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit
0 INLEIDING 4 1 GEBRUIK VAN DE RICHTLIJN 9 1.1 Hoofddoel van de isolerende voorzieningen 9 1.2 Doel en systematiek van de richtlijn 9 1.3 Opbouw van de richtlijn 12 2 PROCEDURE 13 2.1 Inleiding 13 2.2 Stap 1: Beoordeling van de standaard toepassingen 14 2.3 Stap 2: Inschakelen deskundig bedrijf? 15 2.4 Stap 3: Beoordeling van niet-standaard toepassingen 15 3 ACHTERGRONDEN VOOR OPZET VAN STANDAARD TOEPASSINGEN 17 3.1 Isoleren, beheersen en controleren 17 3.2 Stappenplan voor het ontwikkelen van een IBC-pakket 18 3.3 Potentiële bedreigingen van een isolerende voorziening 19 4 ALGEMENE KWALITEITSEISEN VOOR IBC-MAATREGELEN 23 4.1 Eisen aan het gehele werk 23 4.2 Eisen ten aanzien van isolerende constructie 23 4.2.1 Isolatie ten opzichte van het grondwater 23 4.2.2 Isolatie ten opzichte van het hemelwater 23 4.2.3 Duurzaamheid 24 4.2.4 Kwaliteitsborging 24 4.3 Eisen ten aanzien van beheersmaatregelen 24 4.3.1 Schaalgrootte 24 4.3.2 Terugneembaarheid 24 4.3.3 Technische beheersmaatregelen 25 4.3.4 Drainagesysteem 25 4.3.5 Te verwachten gebruik 25 4.4 Eisen ten aanzien van controle en controlemaatregelen 25 4.4.1 Controle van de isolatie 25 4.4.2 Waarborgen controleerbaarheid 26 4.4.3 Controleprogramma 26 4.4.4 Controlevoorzieningen 26 4.5 Eisen ten aanzien van aanleg van het werk 26 4.5.1 Termijn voor aanbrengen van de isolerende constructie 26 4.5.2 Deskundigheid hoofdaannemer 27 4.5.3 Deskundigheid directie 27 4.5.4 Verspreiding van categorie 2 of bijzondere categorie-bouwstoffen 27 4.5.5 Tegengaan van menging van materialen 27 4.5.6 Reinigen van materiaal 27 4.6 Eisen voor gebruik van het werk 28 5 SELECTIE VAN STANDAARD TOEPASSINGEN 28 5.1 Achtergrond voor selectie 28 5.2 Toepassing van niet-vormgegeven bouwstoffen 28 5.3 Standaard toepassingen van niet-vormgegeven categorie 2-bouwstoffen 30 5.4 Toepassing van vormgegeven categorie 2-bouwstoffen 30 5.5 Standaard toepassingen voor de bijzondere categorie-bouwstoffen 31 5.5.1 Standaard toepassing voor de bijzondere cate
- 1: infiltratie wordt tegengegaan met isolatie,
- 2: mogelijke bedreigingen voor de isolatie worden onderzocht,
- 3: voor reële bedreigingen worden compenserende maatregelen getroffen,
- 4: inspectie en onderhoud worden op het werk afgestemd.
- 1: toepassing in wegfunderingen of onder verhard terrein;
- 2: toepassing in alleen de belastingspreidende laag of in de wegfundering in combinatie met de belastingspreidende laag;
- 3: toepassing in wegfunderingen in combinatie met toepassing in de constructieve ophoging/aanvulling;
- 4: toepassing in de belastingspreidende laag en de constructieve ophoging/aanvulling al dan niet in combinatie met toepassing in de wegfundering;
- 5: toepassing in alleen de constructieve ophoging/aanvulling;
- 6: toepassing in alleen de niet-constructieve ophoging/aanvulling.
- 7: toepassing in een constructieve ophoging onder spoorwegen;
- 8: in uitsluitend een constructieve ophoging of aanvulling;
- 9: in een niet-constructieve ophoging of aanvulling;
- 10: in uitsluitend een constructieve ophoging of aanvulling waarbij de isolerende kunststoffolie is doorgetrokken tot de wegverharding;
- 11: in een belastingspreidende laag en een constructieve ophoging of aanvulling, al dan niet in combinatie met toepassing in de wegfundering;
- 12: toepassing in wegfundering.
- 1. Beoordeling van een toepassing door de opdrachtgever aan de hand van de checklists. Als een toepassing volledig aan een checklist voldoet, wordt dit door de opdrachtgever gemeld aan het bevoegd gezag. Toepassing kan volgens de richtlijn plaatsvinden.
- 2. Beslissing of een deskundig bedrijf wordt ingehuurd. Als een toepassing niet volledig voldoet aan één van de checklists, moet door de opdrachtgever besloten worden om een deskundig bedrijf in te huren, anders kan toepassing niet plaatsvinden. Een deskundig bedrijf is een bedrijf dat de kennis en ervaring bezit om niet-standaard toepassingen te kunnen beoordelen. De gelijkwaardigheid van een niet-standaard toepassing moet worden beoordeeld conform het Toetsingskader IBC-maatregelen publicatie CROW-144.
- 3. Onderbouwing van niet-standaard toepassing met een rapport van een deskundig bedrijf. Een niet-standaard constructie wordt onderbouwd met een rapport dat is opgesteld door een deskundig bedrijf. Als in het rapport is aangetoond dat constructie, onderhoud en inspectie ten minste gelijkwaardig (zie paragraaf 2.2) zijn aan de isolatie-elementen van de standaard toepassing, wordt dit door de opdrachtgever gemeld aan het bevoegd gezag. De toepassing kan worden uitgevoerd.
- Algemeen aanvaarde en beproefde bouwcriteria (zowel civieltechnisch als milieuhygiënisch);
- Aantoonbare praktijkervaring met het type bouwwerk of met onderdelen van het bouwwerk;
- Onderzoeksresultaten van nieuwe materialen, constructies of technieken dienen:
- geen voor de beoordeling te grote kennisleemten te bevatten;
- op een relatief eenvoudige wijze toegankelijk te zijn door middel van documenten waarin de relevante informatie is opgenomen. De techniek dient te zijn afgestemd op de Nederlandse omstandigheden. De documenten dienen bij voorkeur in de Nederlandse taal te zijn geschreven;
- onderzoeksresultaten dienen inzichtelijk te zijn en reproduceerbaar door Nederlandse deskundigen;
- Toepassing van nieuwe materialen, constructies of technieken dient zo mogelijk via kwaliteitsborging van ontwerp en uitvoering te geschieden. Op de materialen is kwaliteitsborging van toepassing.
- 1. Tegengaan van infiltratie;
- 2. Analyseren van bedreigingen voor de isolerende constructie;
- 3. Compenserende/aanvullende voorzieningen/maatregelen;
- 4. Controle en onderhoud. Indien het samenstel van voorzieningen ten minste gelijkwaardig met één van de standaard toepassingen is, kan het werk worden gerealiseerd. Er is in dit geval dus nauw aangesloten bij één van de in de richtlijn beschreven standaard toepassingen.
- Controle kan via kwaliteitsborging vooraf geschieden;
- De isolerende constructie zelf kan rechtstreeks worden gecontroleerd door bijvoorbeeld visuele waarneming;
- De isolerende constructie kan indirect worden gecontroleerd door bijvoorbeeld controle van zettingen;
- Indien de constructie met behulp van bovengenoemde 3 methoden niet adequaat kan worden gecontroleerd, is controle van bodemkwaliteit noodzakelijk.
- De kwaliteit van de bodem kan worden gecontroleerd via monitoring van parameters. In de praktijk kan dit echter moeilijk te controleren zijn aangezien concentraties in de bodem laag kunnen zijn.
- niet-constructieve ophoging/aanvulling;
- constructieve ophoging/aanvulling;
- zandbed/belastingspreidende laag;
- wegfundering.
- toepassingen van vormgegeven categorie 2-bouwstoffen in wegfunderingen en niet-constructieve ophogingen/aanvullingen. Deze toepassing sluit in grote mate aan bij de toepassing van niet-vormgegeven categorie 2-bouwstoffen. Vormgegeven categorie 2-bouwstoffen, bijvoorbeeld in de vorm van stabilisaties, kunnen zeer geschikt zijn om in funderingen of ophogingen/aanvullingen toegepast te worden. Deze vorm van gebruik van vormgegeven categorie 2-bouwstoffen wordt dan ook gelijk gesteld aan standaard toepassingen voor niet-vormgegeven categorie 2-bouwstoffen. Daarbij geldt als voorwaarde dat voor de binding van de AVI-bodemas alleen cement wordt gebruikt (zie ook paragraaf 5.5.1).
- andere toepassingen van vormgegeven categorie 2-bouwstoffen. Voor deze toepassing is het aangeven van standaard toepassingen waarmee een aanzienlijk deel van de categorie 2-bouwstoffen toegepast kan worden, een lastige zaak. De toepassingen kunnen zeer divers zijn. Overigens zal het grootste deel van vormgegeven bouwstoffen in categorie 1 (Aalbers et al., 1993) vallen. Teneinde de toepassing van vormgegeven categorie 2-bouwstoffen niet te beperken tot slechts één of enkele standaard toepassingen biedt de procedure (zie hoofdstuk 2) de mogelijkheid om vormgegeven bouwstoffen als een niet-standaard toepassing uit te werken.
- Er wordt aansluiting gezocht bij de huidige toepassingen van AVI-bodemas;
- AVI-bodemas wordt als niet-vormgegeven bouwstof beschouwd;
- De bodem dient zo goed mogelijk beschermd te worden met reeds bestaande technieken waarbij aansluiting gezocht wordt bij het Stortbesluit bodembescherming (zie ook Standpuntnotitie);
- De toepassing dient uit oogpunt van beheersbaarheid grootschalig te zijn (zie ook Standpuntnotitie);
- 1º van de samenstellingswaarden voor organische stoffen zoals aangegeven in bijlage 1 (Bouwstoffenbesluit, red), uitsluitend één of meer van de waarden voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen overschrijdt, en
- 2º op zodanige wijze wordt gebruikt dat geen van de immissiewaarden voor anorganische stoffen, zoals aangegeven in bijlage 1 (Bouwstoffenbesluit, red.), wordt overschreden.
- asfaltbeton: het asfaltbeton wordt opgebouwd uit minimaal één laag van 70 mm dikte. Deze laag bestaat uit een van de volgende materialen: dicht asfaltbeton, grindasfaltbeton, steenslagasfaltbeton, open asfaltbeton of steenmastiekasfaltbeton. Zeer Open Asfalt Beton (ZOAB) wordt niet toegepast als isolerende laag. De asfaltconstructie wordt op basis van de te verwachten verkeersbelasting gedimensioneerd en wordt opgebouwd volgens de standaard RAW bepalingen 1990.
- cementbeton: de cementbetonverharding wordt uitgevoerd volgens de standaard RAW bepalingen 1990 en wordt gedimensioneerd op basis van de te verwachten verkeersbelasting.
- toestand van de voegvulling: beoordelen of veroudering of scheurvorming de waterdichtheid hebben beïnvloed;
- toestand van de voegconstructie: beoordelen of een zichtbare scheur/opening aanwezig is tussen de wegverharding en de voegvulling.
- vullen van een scheur met bitumineus voegvullingsmateriaal of een ten minste gelijkwaardig materiaal;
- uitvullen van spoorvorming;
- aanbrengen van mini-oppervlaktebehandelingen;
- verwijderen en vervangen van een of meerdere lagen en/of het aanbrengen van (isolerende) versterkingslagen.
- Vervangen van voegvullingsmateriaal in de langs- en dwarsvoegen;
- Vullen van scheuren met een bitumineus voegvullingsmateriaal of een ten minste gelijkwaardig materiaal;
- Repareren van scheuren door naderhand aan te brengen verdeuveling en voegvullingsmateriaal;
- Vervangen van gescheurde platen.
- bentonietmatten;
- categorie 1 bouwstof in de schouder van de wegfundering;
- gootconstructie.
- scheuren, gaten, ondergravingen en doorworteling;
- afvoer van hemelwater: de afvoer van hemelwater moet gewaarborgd zijn.
- legplan en een uitvoeringsplan: deze plannen dienen opgesteld te zijn voordat met het werk wordt begonnen;
- grondwerk: de korrelgrootte van het matrixmateriaal mag ten hoogste 3 mm zijn. Abrupte hoogteverschillen zoals sporen en rillen mogen niet groter zijn dan 10 mm. Voordat een rol folie wordt aangebracht dient de verlegger zich ervan te vergewissen dat in de hiervoor beschreven situatie geen verandering is gekomen. De ondergrond dient zodanig stabiel te zijn dat de maximale rek van de folie niet wordt overschreden.
- uitrollen: de folie mag tijdens het uitrollen niet worden beschadigd. De foliebanen dienen een overlap van ten minste 80 mm te hebben. Opwaaien van de folie dient voorkomen te worden. Er dient niet meer folie uitgerold te worden, dan die dag kan worden verwerkt.
- lassen: in het uitvoeringsplan is in detail de te volgen werkwijze beschreven. De folies worden thermisch gelast. Door middel van proeflassen voordat met het feitelijk lassen wordt begonnen, worden de juiste parameters ingesteld. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van kanaallassen. Slechts voor detailwerk, moeilijk bereikbare plaatsen of bij reparaties mogen enkele lassen worden gebruikt. In figuur 9.5 zijn de verschillende lastypen weergegeven.
- lekdichtheid: alle verbindingen worden op hun laskwaliteit en hun afdichtingseigenschappen gecontroleerd. Visueel wordt het lasproces geïnspecteerd. Door middel van lekdichtheidsproeven worden de afdichtingseigenschappen bepaald.
- toestand van het afdichtende middel: als veroudering of scheurvorming de waterdichtheid beinvloedt, vindt reparatie plaats;
- hechting aan het wegverhardingsmateriaal: als een zichtbare scheur/opening aanwezig tussen de wegverharding en het afdichtingsmiddel vindt reparatie plaats;
- toestand van de door te voeren constructie (zoals een staander voor een verkeersbord): als via de door te voeren constructie water toe kan treden tot de categorie 2- of bijzondere categorie-bouwstof vindt reparatie plaats.
- slechte hechting van het opvulmiddel met de wegverharding door beschadiging na bijvoorbeeld een aanrijding of lekkage door veroudering. Het afdichtende materiaal moet enigszins bol uitsteken boven de wegverharding (zie figuur 9.9). Daarmee wordt voorkomen dat water op de doorvoering kan blijven staan.
- de door te voeren constructie is niet waterdicht. Als voorbeeld kunnen staanders voor verkeersborden worden genoemd die aan de bovenzijde niet zijn afgesloten.
- 1. de omvang van structurele emissies beneden de marginale bodembelasting gehouden kan worden;
- 2. de kans op overige emissies tot beneden een aanvaardbaar risico wordt gebracht.
- 3. men inzicht heeft in de processen die zich in een werk afspelen zowel tijdens de aanleg als daarna;
- 4. de aard en de mate waarin effecten in de praktijk optreden met dit inzicht en toelaatbaarheidsgrenzen overeenstemmen.
- 1. de effectiviteit van de afdichting direct kan worden gecontroleerd,
- 2. emissies vanuit de toepassing van een bouwstof op de juiste plaats en tijdig geconstateerd kunnen worden;
- 3. ontwikkelingen die emissies kunnen beïnvloeden tijdig geconstateerd kunnen worden.