Bijlage F Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit
Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit
§ 1 Inleiding 4 § 2 Termen en definities 8 § 3 Opsplitsing Handhavingsprotocol bouwstoffen 9 § 4 Monsterneming 13 § 4.1 Algemeen 13 § 4.2 Monsternemingsplan en monsternemingsformulier 13 § 4.3 Partijdefinitie 13 § 4.3.1 Partijdefinitie voor niet-vormgegeven bouwstoffen in een materiaalstroom (inclusief schone grond) 15 § 4.3.2 Partijdefinitie bij vormgegeven bouwstoffen 15 § 4.4 Vaststellen van de te realiseren kwaliteit 16 § 4.5 Minimale greep- en monstergrootte 16 § 4.5.1 Schone grond 16 § 4.5.2 Niet-vormgegeven bouwstoffen (exclusief schone grond) 17 § 4.5.3 Vormgegeven bouwstoffen 19 § 4.6 Bepaling aantal te nemen grepen en samen te stellen mengmonsters 19 § 4.6.1 Bepaling aantal te nemen grepen en samen te stellen mengmonsters voor schone grond 19 § 4.6.2 Bepaling aantal te nemen grepen en samen te stellen mengmonsters voor bouwstoffen (inclusief verontreinigde grond 19 § 4.7 Bepaling effectieve greep- en mengmonstergrootte 20 § 4.8 Uitvoering van de monsterneming 20 § 5 Monsteropslag en -conservering 21 § 6 Monstervoorbehandeling 22 § 6.1 Opsplitsing van de monstervoorbehandeling afhankelijk van uit te voeren proef of bepaling, te bepalen stof en soort bouwstof 22 § 6.2 Nadere aanwijzingen ten aanzien van de monstervoorbehandeling ten behoeve van het bepalen van de samenstelling 26 § 6.3 Nadere aanwijzingen ten aanzien van de monstervoorbehandeling ten behoeve van het bepalen van het uitlooggedrag 27 § 7 Bepaling van de pH en het gehalte droge stof, lutum en organisch stof 28 § 8 Opwerking en analyse voor de bepaling van de samenstelling 29 § 9 Bepalen van het uitlooggedrag 30 § 10 Opwerking en analyse van de eluaten 31 § 11 Vaststelling gemiddelde meetwaarde per stof 32 § 11.1 Samenstelling 32 § 11.1.1 Correctie van de samenstellingswaarden van metalen in grond 32 § 11.1.2 Verhouding tussen de meetwaarden 32 § 11.1.3 Bepaling gemiddelde meetwaarde 33 § 11.2 Emissiewaarde 34 § 12 Berekening van de immissiewaarde 35 § 13 Vaststellen of wordt voldaan aan de eise
- a. Toepassingsgebied Dit Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen is ontworpen voor de producent c.q. eigenaar van bouwmaterialen. Het is een uitwerking van het gestelde in artikel 5.2 en 9.6 van het Bouwstoffenbesluit en artikel 4.1 en 7.1.1 van de bijbehorende Uitvoeringsregeling. De producent c.q. eigenaar, maar ook indirect het bevoegd gezag, kan hiermee vaststellen of een partij bouwstoffen voldoet aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit uit bijlage 1 en 2 van het Bouwstoffenbesluit. Dit Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen kan worden toegepast indien: Indien niet aan deze beide voorwaarden wordt voldaan is het Bouwstoffenbesluit niet van toepassing en vervalt daarmee de functionaliteit van dit Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen. Binnen het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen wordt onderscheid gemaakt tussen een partijkeuring voor schone grond en een partijkeuring voor de overige bouwstoffen, inclusief verontreinigde grond. De partijkeuring voor schone grond wordt toegepast om vast te stellen of een partij grond onder het lichte regime voor schone grond in het Bouwstoffenbesluit mag worden toegepast. De monsternemingsinspanning voor de partijkeuring schone grond is groter dan voor de partijkeuring bouwstoffen. Dit hangt samen met de theoretische afleiding van het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen 1“Toetsen van bouwmaterialen aan normen en eisen”, RIVM rapport 771402010, “Protocol grond voor de handhaving van het Bouwstoffenbesluit”, TNO-MEP R 96/009, IWACO: 1052850, “Een interim-protocol voor de toetsing van partijen grond”, TNO-MW R 94/207.. Het staat een eigenaar van verontreinigde grond vrij om de partijkeuring schone grond te volgen met betrekking tot de bepaling van de samenstelling van zijn grond. De partijkeuring schone grond wordt uitgevoerd met een aanzienlijk grotere monsternemingsinspanning dan de partijkeuring bouwstoffen. Bovendien geldt er voor de toetsing van schone grond een restrictie betreffende de partijgrootte. De gemiddelde concentratie van de bepaalde stoffen in de partij wordt daarmee met de partijkeuring schone grond voldoende betrouwbaar bepaald om ook acceptabel te zijn voor categorie 1- en 2-grond. Als een partij grond is onderzocht volgens de aanwijzingen voor schone grond en er is op basis van de concentraties gebleken dat de grond niet voldoet aan de eisen uit § 13.3.1 voor schone grond, dan worden de gemiddelde concentraties, bepaald volgens de aanwijzingen voor schone grond, representatief geacht voor de werkelijke gemiddelde concentraties van de partij grond. Ten behoeve van een eventuele toepassing van de grond binnen het kader van het Bouwstoffenbesluit dienen van deze partij grond dan alleen nog de immissiewaarden te worden bepaald door het uitvoeren van een uitloogproef op een deelmonster. Hiervoor moeten de aanwijzingen voor de bepaling van de immissiewaarden worden opgevolgd, zie § 12. De samenstellingswaarden moeten dan voldoen aan de eisen voor bouwstoffen anders dan schone grond genoemd in § 13.3.1 en de immissiewaarden genoemd in § 13.3.2. Grond waarvan werd verondersteld dat deze was verontreinigd en waarvan de keuring derhalve is uitgevoerd volgens de partijkeuring bouwstoffen, maar waarvan na keuren geen overschrijdingen worden vastgesteld van de eisen voor schone grond uit § 13.3.1 mag niet worden aangemerkt als schone grond en daarmee onder het lichte regime voor schone grond in het Bouwstoffenbesluit worden toegepast. Dit is alleen mogelijk indien de grond opnieuw wordt gekeurd met behulp van de partijkeuring schone grond. De partijkeuring bouwstoffen wordt uitgevoerd door middel van een aanzienlijk kleinere monsternemingsinspanning dan de partijkeuring schone grond. De gemiddelde concentratie van de partij wordt met de partijkeuring bouwstoffen onvoldoende betrouwbaar geacht om acceptabel te zijn voor schone grond. Bij de partijkeuring schone grond is ten opzichte van de partijkeuring bouwstoffen gekozen voor een zwaardere monsternemingsinspanning omdat schone grond vermengd mag raken met de onderliggende bodem en niet teruggenomen hoeft te worden. Dit vraagt om een zwaarder bewijsmiddel. De producent c.q. eigenaar van een bouwstof die de bouwstof toetst volgens het onderhavige Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen, mag er vanuit gaan dat, bij een correcte uitvoering en het toepassen van de juiste zekerheidsfactor bij de toetsing, zie § 13.2, het toetsingsresultaat als voldoende bewijsmiddel zal worden geaccepteerd door het bevoegd gezag. Indien de gemiddelde meetwaarde gecorrigeerd met de juiste zekerheidsfactor aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit voldoet, is aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de eisen van bijlage 1 of 2 van het Bouwstoffenbesluit. Om eventueel te kunnen aantonen welke partij is bemonsterd verdient het de voorkeur om de partij fotografisch vast te leggen en te beschrijven op basis van aspecten als type materiaal, kleur, geschatte D₉₅, e.d..
- 1. Het te toetsen materiaal een bouwstof is zoals gedefinieerd in het kader van het Bouwstoffenbesluit, artikel 1b;
- 2. De te toetsen bouwstof buiten wordt, of zal worden, gebruikt.
- b. Status van de verschillende onderdelen Deze bijlage van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit omvat passages die dienen ter verduidelijking van of ter toelichting op de tekst. Deze passages springen in en beginnen met Toelichting.
- c. Verwijzingen In het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen zijn een groot aantal verwijzingen opgenomen naar andere delen van het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen zelf, naar onderdelen van normen, zowel als naar onderdelen van de toetsingsprotocollen schone grond en bouwstoffen uit Bijlage F van de Uitvoeringsregeling, respectievelijk hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3. Verwijzingen naar onderdelen van het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen vinden uitsluitend plaats onder verwijzing naar de betreffende paragraaf, aangegeven met het §-teken. Verwijzingen naar onderdelen van normen vinden plaats onder vermelding van het betreffende hoofdstuk-nummer. Verwijzingen naar onderdelen van de Handhavingsprotocollen schone grond en bouwstoffen vinden uitsluitend plaats onder verwijzing naar de betreffende paragraaf, aangegeven met het §-teken met vermelding van de betreffende bijlage van het Bouwstoffenbesluit en het betreffende hoofdstuk.
- d. Uitvoering van het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen Om het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen op een correcte en efficiënte wijze te kunnen uitvoeren is het van groot belang vooraf kennis te hebben van alle te verrichten handelingen, de te maken keuzen en de documenten waarnaar wordt verwezen. Om te komen tot het keuren van een partij bouwstoffen, inclusief grond, dienen een aantal stappen te worden doorlopen, te weten monsterneming, monstervoorbehandeling, analyse en de keuring van de partij op basis van de eisen van het Bouwstoffenbesluit. Elk van deze stappen legt eisen op aan de daaraan voorafgaande en daarna volgende stappen, waarbij de eisen afhankelijk zijn van bijvoorbeeld de te bepalen stoffen en de uit te voeren proef of proeven. Daarom dient vóór aanvang van het onderzoek het gehele Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen te worden doorlopen om vast te stellen op welke manier invulling aan de verschillende onderdelen van de procedure moet worden gegeven. Een aantal essentiële punten hierbij is:
- de vraag of het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen van toepassing is, zoals toegelicht onder a van deze toelichting;
- op welke wijze dient de monsterneming te worden uitgevoerd (§ 4);
- welke wijze van opslag en conservering dient te worden gevolgd (§ 5);
- welke wijze van monstervoorbehandeling dient te worden gebruikt (§ 6);
- welke stoffen in de partij bouwstoffen moeten worden bepaald (§ 8);
- welke uitloogproef of proeven moeten worden uitgevoerd (§ 9).
- e. De te bepalen stoffen In het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen moet kunnen worden onderbouwd in hoeverre de stoffen die worden onderzocht in een partij van een bouwstof, met uitzondering van grond, kritische parameters zijn voor de betreffende bouwstof, zie ook § 6.1. Door stoffen die voor de te keuren bouwstof een meer dan marginale kans hebben de samenstellings- of immissiewaarden te overschrijden als ‘kritische’ parameters te benoemen, ontstaat er een objectief parameterpakket dat in het kader van het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen voor die bouwstof moet worden onderzocht. Het ‘kritische’ van de parameter kan liggen op het gebied van de mate van voorkomen en de variatie daarin, de hoogte van de concentratie in relatie tot de eisen, etc. De onderbouwing van de keuze van de kritische parameters kan plaats vinden door onder meer het overleggen van eerdere onderzoeksresultaten naar de samenstelling of de uitloging van de bouwstof waarbij een breed scala aan parameters is onderzocht. Ook kan gebruik worden gemaakt van onderzoeksresultaten van op de bouwstof uitgevoerde beschikbaarheidsproeven volgens NEN 7341, historisch onderzoek of informatie met betrekking tot het productieproces of de daarbij toegepaste grondstoffen. Het wordt geadviseerd om, indien mogelijk, met het bevoegd gezag of afnemer/koper van de bouwstof vooraf tot overeenstemming te komen met betrekking tot de te onderzoeken parameters. Ten aanzien van grond die wordt getoetst ten behoeve van de vaststelling of er sprake is van schone grond geldt dat er sprake is van een standaardpakket aan te toetsen stoffen. Mocht er voor worden gekozen de toetsing uit te voeren volgens de aanwijzingen voor schone grond, maar is er mogelijk toch sprake van één of meer stoffen buiten het standaardpakket die ‘kritisch’ kunnen zijn, dan dienen deze stoffen eveneens te worden onderzocht. Daarbij wordt een stof beschouwd als een ‘kritische’ stof indien deze een meer dan marginale kans heeft om de samenstellings- of immissiewaarden te overschrijden. Het is in principe mogelijk om van het standaardpakket voor schone grond af te wijken. Om echter met het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen aan de door het bevoegd gezag gewenste ‘bewijslast’ te voldoen, verdient het sterk de aanbeveling om slechts dan stoffen uit het standaardpakket te schrappen wanneer hierover op voorhand overleg is geweest met het bevoegd gezag.
- f. Aangewezen instanties Bij het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen wordt op basis van de uit te voeren toetsing onderscheid gemaakt tussen instanties die het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen mogen uitvoeren, zie artikel 5.2 van het Bouwstoffenbesluit. Schone grond: Als het bevoegd gezag daarom verzoekt moet, zoals in artikel 5.2 van het Bouwstoffenbesluit staat aangegeven, het hier beschreven onderzoek worden uitgevoerd door een “door Onze Ministers aangewezen instantie” zoals aangegeven in artikel 9.1 en 9.4 van het Bouwstoffenbesluit. Bouwstoffen: Het hier beschreven onderzoek moet worden uitgevoerd door een “door Onze Ministers aangewezen instantie” zoals aangegeven in artikel 9.1 en 9.4 van het Bouwstoffenbesluit. Algemeen: Deze “door Onze Ministers aangewezen instantie” zijn laboratoria en onderzoeksbureaus die werken volgens het Accreditatieprogramma Bouwstoffenbesluit (AP04) en geaccrediteerd zijn door de Raad voor Accreditatie (NSS) of een vergelijkbaar buitenlands laboratorium. In hoofdstuk 1 van AP04 staan de eisen genoemd waaraan een laboratorium moet voldoen wil het een accreditatie voor het Bouwstoffenbesluit kunnen krijgen en aangewezen worden door de Ministers van VROM en V&W. In de Staatscourant en op de internetsite van het Ministerie van VROM (www.minvrom.nl/bodem/bouwstoffenbesluit) worden lijsten gepubliceerd van laboratoria die zijn aangewezen.
- a. kritische parameter: een stof in een bouwstof die een meer dan summiere kans heeft niet te voldoen aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit.
- b. aselecte handeling: een handeling die wordt uitgevoerd met behulp van toevalsgetallen, die liggen tussen de 0 en 1 en op basis van een toevalsproces volgens een uniforme verdeling worden gekozen.
- c. effectieve greep- en monstergrootte: de grootte (kg) van de greep respectievelijk het monster zoals die in het uit te voeren onderzoek moeten worden genomen, bepaald op basis van de relatie tussen de minimale greep- en monstergrootte en het aantal in een mengmonster samen te voegen grepen.
- d. zekerheidsfactor (ZF): een getalsmatig uitgedrukte factor waarmee de waarde voor een bepaalde eigenschap van stof i in een monster wordt vermenigvuldigd en die is bedoeld als correctie voor de meetfout of variatiecoëfficiënt.
- e. tussenwaarde: de helft van de som van de samenstellingswaarden voor grond in bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit en de overeenkomstige stof in bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit (= ½(samenstellingswaarde bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit + samenstellingswaarde bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit)).
- a: ‘gelijkvormige’ elementen en grote eenheden of constructies ≥ 50 cm³
- b: grofkorrelige materialen waar van o.a. D90 ≥ 90 mm
- Partij stenen bestaande uit een aantal pallets bij een bouwwerk, nog niet in toepassing: Partijdefinitie door het vastleggen van de plaats(en) waar de pallets aanwezig zijn, het vastleggen van het aantal pallets dat tot dezelfde partij moet worden gerekend, het vastleggen van het aantal stenen op elk van de pallets en het vastleggen van de aard, vorm en grootte van de stenen.
- Partij stenen reeds in toepassing: Beschrijving van de toepassing en de ruimtelijke afbakening van de partij ten opzichte van eventueel andere stenen die in het bouwwerk zijn gebruikt, het bepalen of schatten van het aantal stenen in de partij en het vastleggen van de aard, vorm en grootte van de stenen.
- de bulkdichtheid van het los gestorte materiaal ρ van de grond wordt vastgesteld op 1600 kg/m³;
- de soortelijke massa ρ van de grond wordt vastgesteld op 2,6 g/cm³;
- de correctiefactor voor de korrelgrootteverdeling g wordt vastgesteld op 0,25;
- de fractie van de korrels die de verontreinigende stof bevatten ρ wordt vastgesteld op 1/50;
- de maximale korrelgrootte d:
- voor partijen met een maximale korrelgrootte (D95) kleiner of gelijk aan 16 mm, is de maximale korrelgrootte d 16 mm ten behoeve van de bepaling van de minimale greepgrootte en 1,6 cm ten behoeve van de bepaling van de minimale monstergrootte;
- voor partijen met een maximale korrelgrootte (D95) groter dan 16 mm moet de maximale korrelgrootte worden bepaald. Op basis van de bepaalde maximale korrelgrootte worden de minimale greepgrootte en minimale monstergrootte berekend volgens de formules (5) en (7) van NVN 7302, hoofdstuk 7.5 “Bepaling minimale greep- en monstergrootte”.
- de te bemonsteren bouwstof is eenduidig te definiëren (het is bekend om wat voor type bouwstof het gaat);
- het betreffende type bouwstof is ten minste reeds tien maal eerder onderzocht;
- de bouwstof had bij deze eerdere onderzoeken een (vrijwel) gelijke maximale korrelgrootte (± 5%);
- er wordt ten behoeve van het berekenen van de minimale greep- en monstergrootte uitgegaan van een veilige D95, namelijk een D95 die één maaswijdte groter is dan de grootste in de voorgaande bepalingen vastgestelde D95.
- niet onder de juiste condities zijn getransporteerd of opgeslagen; of
- de periode tussen de monsterneming en de aanvang van de monstervoorbehandeling langer is dan 7 dagen;
- 1. Op basis van eerder onderzoek kan worden aangetoond welke stoffen slechts een marginale kans hebben om de eisen van het Bouwstoffenbesluit te overschrijden. Deze stoffen hoeven dan in het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen niet meer te worden onderzocht.
- 2. Op basis van eerder onderzoek kan worden aangetoond welke stoffen een redelijke kans hebben om de eisen van het Bouwstoffenbesluit te overschrijden. Deze stoffen moeten dan in het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen worden onderzocht.
- 3. Op basis van productiewijze, grondstoffenonderzoek en wijze van aanlevering kan worden beargumenteerd dat de aanwezigheid van bepaalde stoffen of stofgroepen zeer onwaarschijnlijk of waarschijnlijk is. Deze stoffen zouden dan in het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen juist niet of juist wel moeten worden onderzocht.
- 1. vier analysemonsters voor de bepaling van het gehalte aan vluchtige stoffen;
- 2. een deelmonster van 250 gram voor de bepaling van het gehalte aan matig-vluchtige stoffen;
- 3. twee analysemonsters per mengmonster voor de bepaling van het droge stof gehalte en, voor grond, tevens twee analysemonsters per mengmonster voor de bepaling van de pH en het lutum en organisch stof gehalte;
- 4.
- a. voor een niet-vormgegeven materiaal wordt de volledige resterende hoeveelheid van het mengmonster gebruikt voor het verkrijgen van een deelmonster voor de uitvoering van de kolomproef;
- b. voor een vormgegeven materiaal wordt een proefstuk genomen voor het uitvoeren van de diffusieproef;
- 5.
- a. voor grond wordt de volledige hoeveelheid resterend materiaal na droging gebruikt voor het verkrijgen van een deelmonster voor de bepaling van het gehalte aan niet-vluchtige anorganische stoffen en het verkrijgen van een reservemonster;
- b. voor niet-vormgegeven bouwstoffen anders dan grond wordt de volledige hoeveelheid resterend materiaal na droging gebruikt voor het verkrijgen van een reservemonster;
- c. voor vormgegeven bouwstoffen wordt op basis van de overige proefstukken of het resterende deel van het proefstuk na droging en verkleining een deelmonster genomen voor het uitvoeren van de beschikbaarheidsproef en het verkrijgen van een reservemonster.
- het type bouwstof: niet-vormgegeven, grond of vormgegeven en de voor deze verschillende typen bouwstoffen in het Bouwstoffenbesluit gestelde eisen;
- de eventuele wens van de opdrachtgever om naar een aantal specifieke stoffen te kijken
- voor vormgegeven bouwstoffen de vooraf verwachte uitloging van de te bepalen stoffen.
- 1. voorlopige praktijkrichtlijnen (VPR's), zoals beschreven in deel 55B van de Reeks Bodembescherming, Ministerie van VROM, 1986 en herdruk 1995 (ISBN 90 12 05364 1);
- 2. een interimvoorschrift, op basis van de GCMS-techniek, zoals beschreven hoofdstuk 1 en 2 in bijlage G van deze Uitvoeringsregeling; voor matig-vluchtige organische stoffen aangeduid in de tabel met interim-GCMS-m, voor vluchtige organische stoffen aangeduid met interim-GCMS-v.
- 3. een onderzoeksprotocol “Bouwstoffenbesluit onderdeel grond”, zoals beschreven in hoofdstuk 3 in bijlage G van deze Uitvoeringsregeling.
- Uitvoeren van de diffusieproef met proefstuk P1 overeenkomstig NEN 7345;
- Bepalen van het geometrisch oppervlak (m²);
- Bepalen of het materiaal diffusie-bepaald uitloogt volgens hoofdstuk 9.3 “Bepaling van het bij de diffusieproef opgetreden uitloogmechanisme” van NEN 7345. Deze bepaling wordt uitgevoerd voor twee inerte stoffen (Na, K, Cl, Br), of één inerte stof en twee andere stoffen, of drie andere stoffen, waarbij voor elk van de geselecteerde stoffen dient te gelden dat de concentratie hoger moet zijn dan drie maal de bepalingsondergrens.
- Voor parameters waarvan vooraf wordt verwacht dat er geringe uitloogbaarheid of snelle uitputting optreedt, kan alleen de beschikbaarheidsproef worden uitgevoerd en is het uitvoeren van een diffusieproef niet noodzakelijk.
- Voor de overige parameters hoeft alleen de diffusieproef te worden uitgevoerd. De beschikbaarheidsproef mag wel worden uitgevoerd maar is niet noodzakelijk.
- indien de gemeten stof een metaal is, en
- er bij de monstervoorbehandeling metalen delen uit het monster zijn verwijderd, en
- deze metalen delen een van de te toetsen metalen bevat,
- 1. vaststelling van de c meetwaarden x uit de monsters (uitgedrukt in mg/kg ds), met: c = aantal monsters (c ≥ 2); x = de samenstellingswaarde in mg/kg ds.
- 2. bepaling van de gemiddelde samenstellingswaarde _ xi = van de c meetwaarden x voor stof i volgens:
- 1. vaststelling van de c meetwaarden e uit de monsters (uitgedrukt in mg/kg ds of mg/m²), met: c = aantal monsters (c ≥ 2); e = de emissiewaarde in mg/kg ds of mg/m².
- 2. bepaling van de gemiddelde emissiewaarde Ē van de c meetwaarden e voor stof i volgens:
- – de toetsing wordt uitgevoerd op partijen met een partijgrootte van maximaal 2000 ton;
- – van de partij zijn 100 grepen genomen;
- – de 100 grepen zijn aselect verdeeld over twee mengmonsters van elk 50 grepen;
- – in de beide monsters zijn tenminste de stoffen van het standaardpakket geanalyseerd.
- de statistiek;
- de monsternemingsinspanning;
- voorkennis over de bouwstof. Dit kan kwantitatieve voorkennis zijn over de variatiecoëfficiënt van de bouwstof, een eerder onderzochte partij of de (kwaliteit van de) gebruikte grondstoffen of kwalitatieve voorkennis met betrekking tot de kritische parameters.
- 1. de samenstellingswaarden in bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit, gecorrigeerd voor het in de grond gemeten lutum gehalte en gehalte organisch stof. De correctie moet worden uitgevoerd met de betreffende formule in bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit.
- 2. indien de desbetreffende samenstellingswaarde onder de bepalingsgrens ligt van de in tabel 1 (Bijlage F, hoofdstuk 2) vermelde voorschriften: de bepalingsgrens zoals aangegeven in de kolom “bepalingsgrens” van tabel 1 van Bijlage F, hoofdstuk 2;
- 3. indien in bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit voor de desbetreffende samenstellingswaarde een a staat vermeld: de aantoonbaarheidsgrens behorende bij het in tabel 1 genoemde voorschrift, zoals aangegeven in de kolom “aantoonbaarheidsgrens” van tabel 1 (Bijlage F, hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsregeling).;
- 4. indien de, door het voor AP04 geaccrediteerde laboratorium gerapporteerde, bepalingsgrens boven de in tabel 1 vermelde bepalingsgrens, de hogere bepalingsgrens zoals vermeld en gemotiveerd door het laboratorium.
- 1. de samenstellingswaarden in de van toepassing zijnde kolom uit bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit, gecorrigeerd voor het in de grond gemeten lutum gehalte en gehalte organisch stof. De correctie moet worden uitgevoerd met de betreffende formule in bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit.
- 2. indien de desbetreffende samenstellingswaarde onder de bepalingsgrens ligt van de in tabel 1 (Bijlage F, hoofdstuk 3) vermelde voorschriften: de bepalingsgrens zoals aangegeven in de kolom “bepalingsgrens” van eerder genoemde tabel 1;
- a) een verwijzing naar dit Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen en de NEN's of NVN's die zijn gebruikt;
- b) de datum van de monsterneming en de naam van de instelling die de monsterneming heeft uitgevoerd;
- c) het volledig ingevulde monsternemingsformulier en monsternemingsplan of een kopie daarvan, met speciale aandacht voor afwijkingen met betrekking tot de minimum variant: bij afwijkingen naar beneden toe met bewijs voor de variatiecoëfficiënt van de bouwstof. Tevens speciale aandacht voor de partijgrootte;
- d) de datum van monstervoorbehandeling, analyse en uitloogproeven en de naam van de instelling die dit heeft uitgevoerd en, indien aanwezig, het analyselijstnummer;
- e) de uitgevoerde monstervoorbehandelingsmethoden met een verwijzing naar dit Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen en de specifieke onderdelen van de van toepassing zijnde normen;
- f) de aanwezigheid van eventuele metalen delen in het monster, de massa en de (vermoedelijke) samenstelling hiervan;
- g) de stoffen die zijn geanalyseerd voor het vaststellen van de samenstelling en de argumentatie waarom deze stoffen zijn geanalyseerd;
- h) het resultaat van de samenstellingsanalyses in mg/kg ds;
- i) de bepaling van de gemiddelde meetwaarden voor de samenstelling en de verhouding tussen de meetwaarden voor de samenstelling inclusief de daaruit getrokken conclusie ten aanzien van de uitgevoerde handelingen;
- j) de uitgevoerde uitloogproef of -proeven;
- k) de stoffen die zijn geanalyseerd in de eluaten voor het vaststellen van de emissiewaarden en de argumentatie waarom deze stoffen zijn geanalyseerd;
- l) het resultaat van de analyses van de eluaten in μg/l;
- m) de berekening van de emissiewaarden;
- n) de bepaling van de gemiddelde emissiewaarden;
- o) de gegevens met betrekking tot VCtot op basis waarvan de zekerheidsfactor is gebaseerd of een referentie aan deze gegevens;
- p) de gebruikte zekerheidsfactor in relatie tot het aantal genomen grepen en geanalyseerde monsters;
- q) een beschrijving van eventuele, met redenen omkleedde, afwijkingen van één van de voorgeschreven werkwijzen in het Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen, de Uitvoeringsregeling, de NEN's, de NVN's of andere in tabel 1, 2 of 3 (Bijlage F, hoofdstuk 3), tabel 1 (Bijlage F, hoofdstuk 2) genoemde meetvoorschriften, die het analyseresultaat kunnen beïnvloeden.
- a. Materiaal binnen toepassingsgebied Voor het toepassen van het Handhavingsprotocol schone grond moet worden voldaan aan de volgende randvoorwaarden:
- 1. het te toetsen materiaal dient grond te zijn;
- 2. de handhaver wil toetsen of een partij grond ook werkelijk schone grond is, waarvan de eigenaar stelt dat: Ten behoeve van het beantwoorden van de vraag of het te toetsen materiaal grond is wordt enerzijds verwezen naar de definities van grond en schone grond in het Bouwstoffenbesluit, artikel 1, lid g, respectievelijk lid h, en wordt anderzijds uitgegaan van de informatie die over de te toetsen partij beschikbaar is. Indien geen informatie over de partij beschikbaar is, maar deze bij een visuele beoordeling door de handhaver als grond wordt aangemerkt, alsmede ten gevolge van de wijze van toepassing volgens de regels voor schone grond van het Bouwstoffenbesluit als grond mag worden aangemerkt, is dit Handhavingsprotocol schone grond eveneens van toepassing. Indien niet aan beide randvoorwaarden wordt voldaan mag het Handhavingsprotocol schone grond niet worden toegepast, maar dient de partij te worden getoetst volgens het Handhavingsprotocol bouwstoffen, zie bijlage F, hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling van het Bouwstoffenbesluit. Grond die niet voldoet aan de voorgaande randvoorwaarden voor het toepassen van het Handhavingsprotocol schone grond moet worden beschouwd als een gewone niet-vormgegeven bouwstof. Die grond dient te worden toegepast in overeenstemming met de eisen die aan niet-vormgegeven bouwstoffen in het Bouwstoffenbesluit worden gesteld. De toetsing van die grond dient derhalve eveneens te worden uitgevoerd in overeenstemming met de toetsing voor andere niet-vormgegeven bouwstoffen. Om ook in een later stadium te kunnen vaststellen of er daadwerkelijk sprake is van grond dient het materiaal te worden beschreven. Hierbij wordt de partij tevens fotografisch vastgelegd, zie ook § 3.2.
- het schone grond is, of
- de grond is toegepast of zal worden toegepast volgens de regels voor schone grond in het Bouwstoffenbesluit, of
- er sprake is van een met een van voorgaande punten vergelijkbare situatie.
- b. Uitvoering van het Handhavingsprotocol schone grond Ten behoeve van het uitvoeren van het Handhavingsprotocol schone grond is kennis van de inhoud van dit gehele Handhavingsprotocol schone grond en van de normen waarnaar in dit Handhavingsprotocol schone grond wordt verwezen van essentieel belang. Om te komen tot de toetsing van een partij grond dienen een aantal stappen te worden doorlopen, te weten monsterneming, monstervoorbehandeling, analyse en toetsing van de analyseresultaten. Elk van deze stappen legt eisen op aan de daaraan voorafgaande en daarna volgende stappen, waarbij de eisen afhankelijk zijn van bijvoorbeeld de te bepalen stoffen. Daarom dient vóór aanvang van de toetsingsprocedure het gehele Handhavingsprotocol schone grond te worden doorlopen om vast te stellen op welke manier invulling aan de verschillende onderdelen van de procedure moet worden gegeven. Een aantal essentiële punten hierbij is: In dit Handhavingsprotocol schone grond zijn een groot aantal verwijzingen opgenomen; zowel naar andere delen van dit handhavingsprotocol schone grond als naar onderdelen van normen. Verwijzingen naar onderdelen van dit Handhavingsprotocol schone grond vinden uitsluitend plaats onder verwijzing naar de betreffende paragraaf, aangegeven met het § -teken. Verwijzingen naar onderdelen van normen vinden plaats onder vermelding van het betreffende hoofdstuk -nummer.
- de vraag of het Handhavingsprotocol schone grond van toepassing is, zoals toegelicht onder a van deze toelichting;
- op welke wijze dient de monsterneming te worden uitgevoerd (§ 3);
- welke wijze van opslag en conservering dient te worden gevolgd (§ 4);
- welke wijze van monstervoorbehandeling dient te worden gebruikt (§ 5);
- welke stoffen in de grond moeten worden bepaald (§ 7).
- c. Aangewezen instanties Het hier beschreven onderzoek moet worden uitgevoerd door een "door Onze Ministers aangewezen instantie" zoals aangegeven in artikel 8.1 van de Uitvoeringsregeling. Deze "door Onze Ministers aangewezen instantie" zijn laboratoria en onderzoeksbureaus die werken volgens het Accreditatieprogramma Bouwstoffenbesluit (AP04) en geaccrediteerd zijn door de Raad voor Accreditatie (NSS) of een vergelijkbaar buitenlands laboratorium. In hoofdstuk 1 van AP04 staan de eisen genoemd waaraan een laboratorium moet voldoen wil het een accreditatie voor het Bouwstoffenbesluit kunnen krijgen en aangewezen worden door de Ministers van VROM en V&W. In de Staatscourant en op de internetsite van het ministerie van VROM (www.minvrom.nl/bodem/bouwstoffenbesluit) worden lijsten gepubliceerd van laboratoria die zijn aangewezen.
- d. De te bepalen stoffen Om te toetsen of er sprake is van schone grond moet in het onderzoek tenminste worden uitgegaan van het standaardpakket aan te toetsen stoffen. Is er mogelijk toch sprake van één of meer stoffen buiten het standaardpakket die ‘kritisch’ kunnen zijn, dan dienen deze stoffen eveneens te worden onderzocht. Daarbij wordt een stof beschouwd als een ‘kritische’ stof indien deze een meer dan marginale kans heeft om de samenstellings- of immissiewaarden te overschrijden.
- de bulkdichtheid van het los-gestorte materiaal p b van de grond is 1600 kg/m3;
- de soortelijke massa p van de grond is 2,6 g/cm 3 ;
- de correctiefactor voor de deeltjesgrootteverdeling g is 0,25;
- de fractie van de deeltjes die de verontreinigende stof bevatten p is 1/50;
- de variatiecoëfficiënt (VC) van de fundamentele fout is 0,10.
- de maximale korrelgrootte d:
- voor partijen met een maximale korrelgrootte (D 95 ) kleiner of gelijk aan 16 mm, is de maximale korrelgrootte d 16 mm ten behoeve van de bepaling van de minimale greepgrootte en 1,6 cm ten behoeve van de bepaling van de minimale monstergrootte;
- voor partijen met een maximale korrelgrootte (D 95 ) groter dan 16 mm moet de maximale korrelgrootte worden bepaald. Op basis van de bepaalde maximale korrelgrootte worden de minimale greepgrootte en minimale monstergrootte berekend volgens de formules (5) en (7) van NVN 7302, hoofdstuk 7.5 "Bepaling minimale greep- en monstergrootte".
- greep 1,1: 0,338 * 0,5 ≡ 0,2 m
- greep 1,2: 0,2 + 1 * 0,5 = 0,7 m
- greep 1,3: 0,2 + 2 * 0,5 = 1,2 m
- greep 1,4: 0,2 + 3 * 0,5 = 1,7 m
- greep 1,5: 0,2 + 4 * 0,5 = 2,2 m
- greep 2,1: 0,842 * 0,5 ¸ 0,4 m
- greep 2,2: 0,4 + 1 * 0,5 = 0,9 m
- niet onder de voorgeschreven condities zijn getransporteerd of opgeslagen; of
- de periode tussen de monsterneming en de aanvang van de monstervoorbehandeling langer is dan 7 dagen;
- 1. steekmonsters verdeeld over het gehele mengmonster voor het verzamelen van vier analysemonsters voor de bepaling van vluchtige stoffen inclusief vluchtige kwikverbindingen en cyanide;
- 2. steekmonsters verdeeld over het gehele mengmonster voor het verzamelen van een deelmonster van 250 gram voor de bepaling van matig-vluchtige stoffen inclusief metallisch kwik en niet-vluchtige kwikverbindingen;
- 3. steekmonsters verdeeld over het gehele mengmonster voor het verzamelen van twee analysemonsters voor de bepaling van de pH en het gehalte aan lutum en organisch stof en de bepaling van het droge stof gehalte;
- 4. de volledige resterende hoeveelheid van het mengmonster wordt gebruikt voor het bepalen van anorganische stoffen (exclusief kwik en kwikverbindingen) en het maken van een reservemonster voor uitloogkarakterisering.
- voor één of meer stoffen liggen de gehalten boven twee 2Voor de buiten het basispakket vallende drins en DDT/DDE/DDD geldt dat het gehalte maximaal gelijk mag zijn aan drie maal de samenstellingswaarde van bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit maal de samenstellingseisen van bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit
- er zijn meer dan drie stoffen die de samenstellingseisen overschrijden;
- één of meer stoffen overschrijden de tussenwaarde (½(samenstellingswaarde bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit + samenstellingswaarde bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit)).
- voor één of meer stoffen liggen de gehalten in de grond boven twee maal 3Voor de buiten het basispakket vallende drins en DDT/DDE/DDD geldt dat het gehalte maximaal gelijk mag zijn aan drie maal de samenstellingswaarde van bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit. de samenstellingswaarden uit bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit;
- de samenstellingswaarden uit bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit wordt door meer dan drie stoffen overschreden;
- één of meer stoffen overschrijden de tussenwaarde (= ½(samenstellingswaarde bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit + samenstellingswaarde bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit)).
- 1. voorlopige praktijkrichtlijnen (VPR's), zoals beschreven in deel 55B van de Reeks Bodembescherming, Ministerie van VROM, 1986 en herdruk 1995 (ISBN 90 12 05364 1);
- 2. een interimvoorschrift, op basis van de GCMS-techniek, zoals beschreven hoofdstuk 1 en 2 in bijlage G van deze Uitvoeringsregeling; voor matig-vluchtige organische stoffen aangeduid in de tabel met interim-GCMS-m, voor vluchtige organische stoffen aangeduid met interim-GCMS-v.
- 3. een onderzoeksprotocol “Bouwstoffenbesluit onderdeel grond”, zoals beschreven in hoofdstuk 3 in bijlage G van deze Uitvoeringsregeling.
- voor monsters die volgens § 5.1 zijn voorbehandeld voor de bepaling van vluchtige kwikverbindingen dienen de concentraties te worden gecorrigeerd voor het droge stof gehalte zoals bepaald volgens § 6. De correctie wordt uitgevoerd volgens: met:
- voor monsters die volgens § 5.2.2 zijn voorbehandeld voor de bepaling van matig-vluchtige kwikverbindingen en metallisch kwik dienen de concentraties te worden gecorrigeerd voor het droge stof gehalte zoals bepaald volgens § 6 en de toeslagstoffen zoals toegevoegd in § 5.2.2. Zie voor de wijze van corrigeren voor de toeslagstoffen NVN 5730, hoofdstuk 8.2 “Matigvluchtige stoffen”.
- voor monster die volgens § 5.5 zijn voorbehandeld voor de bepaling van de overige metalen dienen de concentraties te worden gecorrigeerd voor het verschil in droge stof gehalte bij 40°C en 105°C volgens: met:
- voor monsters die volgens § 5.1 zijn voorbehandeld voor de bepaling van cyanide dienen de concentraties te worden gecorrigeerd voor het droge stof gehalte zoals bepaald volgens § 6. De correctie wordt uitgevoerd volgens: met:
- voor monsters die volgens § 5.5 zijn voorbehandeld voor de bepaling van de anorganische stoffen anders dan cyanide dienen de concentraties te worden gecorrigeerd voor het verschil in droge stof gehalte bij 40°C en 105°C volgens: met:
- 1. vaststelling van de hoogste meetwaarde (xh) en de laagste meetwaarde (xl) van de meetwaarden x1 en x2, en
- 2. bepaling van de verhouding tussen de meetwaarden volgens:
- a) een verwijzing naar dit Handhavingsprotocol schone grond en de NEN's of NVN's die zijn gebruikt;
- b) de datum van de monsterneming en de analyse;
- c) indien van toepassing: het volledig ingevulde monsternemingsformulier of een kopie daarvan;
- d) een beschrijving van de partij eventueel aangevuld met de van de partij gemaakte foto's en indien van toepassing een beschrijving van de wijze waarop de deelpartij(en) voor de toetsing is (zijn) geselecteerd en de ruimtelijke definitie van de deelpartij(en), bij voorkeur aangevuld met foto's waarop de deelpartij is aangegeven;
- e) de aanwezigheid van eventuele metalen delen in het monster, de massa en de, eventueel vermoedelijke indien de metalen delen niet worden geanalyseerd, samenstelling hiervan;
- f) de stoffen die zijn geanalyseerd;
- g) de meetwaarden uitgedrukt in mg/kg ds;
- h) de bepaling van de gemiddelde meetwaarde en de verhouding tussen de meetwaarden inclusief de daaruit getrokken conclusie ten aanzien van de uitgevoerde handelingen;
- i) de toetsing of er sprake is van schone grond op basis van de voor 11 stoffen toegestane gehalten, waarbij maximaal 3 stoffen een gehalte mogen hebben dat twee 4Voor de buiten het basispakket vallende drins en DDT/DDE/DDD geldt dat het gehalte maximaal gelijk mag zijn aan drie maal de samenstellingswaarde van bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit. maal boven de samenstellingswaarde van bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit ligt;
- j) een beschrijving van eventuele, met redenen omkleedde, afwijkingen van één van de voorgeschreven NEN's, NVN's of andere in tabel 1 genoemde meetvoorschriften of voorgeschreven onderdelen daarvan, die het analyseresultaat kunnen beïnvloeden.
- 1. de samenstellingswaarden in bijlage 1 van het besluit, gecorrigeerd voor het in de grond gemeten lutum gehalte en gehalte organisch stof. De correctie moet worden uitgevoerd met de betreffende formule in bijlage 1 van het besluit;
- 2. indien de desbetreffende samenstellingswaarde onder de bepalingsgrens ligt van de in tabel 1 vermelde voorschriften: de bepalingsgrens zoals aangegeven in de kolom ‘bepalingsgrens’ van tabel 1;
- 3. indien in bijlage 1 van het besluit voor de desbetreffende samenstellingswaarde een a staat vermeld: de aantoonbaarheidsgrens behorende bij het in tabel 1 genoemde voorschrift, zoals aangegeven in de kolom ‘aantoonbaarheidsgrens’ van tabel 1;
- 4. indien de, door het voor AP04 geaccrediteerde laboratorium gerapporteerde, bepalingsgrens boven de in tabel 1 vermelde bepalingsgrens, de hogere bepalingsgrens zoals vermeld en gemotiveerd door het laboratorium.
- 1. indien de bepalingsgrens volgens tabel 1 bij dit Handhavingsprotocol schone grond wordt gehanteerd;
- 2. indien de aantoonbaarheidsgrens volgens tabel 1 bij dit Handhavingsprotocol schone grond wordt gehanteerd;
- 3. indien de, door het voor AP04 geaccrediteerde laboratorium, gerapporteerde bepalingsgrens boven de samenstellingswaarde van bijlage 1 van het besluit ligt en deze verhoogde bepalingsgrens wordt gehanteerd.
- I: Vluchtige stoffen
- II: Polaire (matige) vluchtige organische stoffen
- III: (Apolaire) matig-vluchtige (organische) stoffen
- IV: Niet-vluchtige (anorganische) stoffen
- a. Materiaal binnen toepassingsgebied Voor het zinvol toepassen van dit Handhavingsprotocol bouwstoffen moet worden voldaan aan de volgende randvoorwaarden: Indien niet aan randvoorwaarde 1 of 2 wordt voldaan is het besluit en daarmee dit Handhavingsprotocol bouwstoffen niet van toepassing. Voor de definities van grond en schone grond wordt verwezen naar het besluit, artikel 1, lid g respectievelijk lid h. Als de handhaver, evenals van de eigenaar, verwacht dat de partij grond niet-schoon is, of de partij grond is reeds toegepast als categorie 1- of 2-grond in het kader van het besluit, dan dient de toetsing te worden uitgevoerd met behulp van het voorliggende Handhavingsprotocol bouwstoffen. Indien niet aan randvoorwaarde 3 wordt voldaan omdat de handhaver verwacht dat het schone grond is, moet de partij grond worden getoetst volgens het Handhavingsprotocol schone grond, zie bijlage F, hoofdstuk 2 van deze regeling. Indien de handhaver vermoedt dat het niet-schone grond betreft, maar de eigenaar van de grond verwacht dat de grond schoon is, dan dient de toetsing te worden uitgevoerd volgens het Handhavingsprotocol schone grond, zie bijlage F, hoofdstuk 2 van deze regeling. Is een partij grond getoetst volgens het Handhavingsprotocol schone grond (zie bijlage F, hoofdstuk 2) en blijkt dat de partij grond niet-schoon is, dan worden de, op basis van het Handhavingsprotocol schone grond bepaalde, gemiddelde concentraties representatief geacht voor de werkelijke gemiddelde concentraties van de partij grond. Ten behoeve van een eventuele toepassing van de grond binnen het kader van het besluit hoeven van deze partij grond dan alleen nog de immissiewaarden te worden bepaald. In het Handhavingsprotocol schone grond zijn hiervoor deelmonsters gereserveerd zodat herbemonstering van de partij niet noodzakelijk is. De toetsing in het Handhavingsprotocol schone grond op basis van de gemiddelde samenstelling wordt uitgevoerd door uit 100, deels aselect genomen, grepen twee mengmonsters samen te stellen. In vergelijking tot het Handhavingsprotocol bouwstoffen betekent dit dat er aanzienlijk meer aselecte grepen van de partij worden genomen maar er minder analyses worden uitgevoerd. De gemiddelde concentratie van de partij wordt daarmee met het Handhavingsprotocol schone grond voldoende betrouwbaar bepaald om ook acceptabel te zijn voor categorie 1- en 2-grond. Voor het Handhavingsprotocol schone grond is ten opzichte van het Handhavingsprotocol bouwstoffen gekozen voor een zwaardere monsternemingsinspanning omdat ten minste voor een deel van de partijen grond een, mogelijk aanzienlijk, grotere spreiding in de concentraties aanwezig zal zijn dan in andere bouwstoffen. Dit zou kunnen betekenen dat alle grond die in het kader van het besluit moet worden getoetst beter volgens het Handhavingsprotocol schone grond zou kunnen worden onderzocht. Vastgesteld is dat dit tot onduidelijkheid in de toepassingsgebieden van beide handhavingsprotocollen leidt zowel als tot een onevenredige toename van de toetsingskosten. Bovendien ontbreekt de informatie om kwantitatief invulling te kunnen geven aan een zwaarder Handhavingsprotocol bouwstoffen voor verontreinigde grond. Om die reden is het Handhavingsprotocol schone grond alleen van toepassing indien de handhaver van mening is dat de grond is verontreinigd, maar de eigenaar van de grond verwacht dat het schone grond is en de grond dientengevolge zonder restricties in of op de bodem wil brengen of heeft gebracht. Grond die is onderzocht volgens het Handhavingsprotocol bouwstoffen, maar waarvan na toetsing geen overschrijdingen worden vastgesteld van de samenstellingswaarden uit bijlage 1 van het besluit mag niet op basis van deze toetsing worden aangemerkt als schone grond en daarmee zonder restricties in of op de bodem worden toegepast. Dit is alleen mogelijk indien de grond opnieuw wordt bemonsterd en getoetst met behulp van het Handhavingsprotocol schone grond. De ten opzichte van het Handhavingsprotocol schone grond beperkte monsternemingsinspanning in het Handhavingsprotocol bouwstoffen leidt er toe dat grond, waarvan op voorhand werd verwacht dat deze was verontreinigd, niet zonder meer als schone grond mag worden toegepast indien bij de toetsing volgens het Handhavingsprotocol bouwstoffen geen overschrijdingen van de betreffende samenstellingswaarden uit de bijlage van het besluit worden geconstateerd. In dit geval wordt, rekening houdend met de mogelijk grotere mate van spreiding in partijen grond dan ten grondslag ligt aan de toetsing in het Handhavingsprotocol bouwstoffen, een grotere monsternemingsinspanning noodzakelijk geacht. Het Handhavingsprotocol schone grond is hiervoor beter toegesneden dan het Handhavingsprotocol bouwstoffen. Voorts wordt de conclusie dat er sprake is van schone grond eveneens gekoppeld aan een in principe vast pakket van te analyseren stoffen. De toetsing van dit standaardpakket dient plaats te vinden conform het vigerend wettelijk kader. Om ook in een later stadium te kunnen vaststellen wat voor materiaal en welke partij is onderzocht dient de partij te worden beschreven. Hierbij wordt de partij tevens fotografisch vastgelegd, zie ook § 4.3.
- 1. het te toetsen materiaal dient een bouwstof te zijn zoals gedefinieerd in het besluit, artikel 1b;
- 2. de te toetsen bouwstof dient buiten te worden gebruikt in een werk;
- 3. indien de bouwstof grond is dient de verwachting (de hypothese) van de handhaver te zijn dat de grond niet-schone grond is.
- b. Uitvoering van het Handhavingsprotocol bouwstoffen Ten behoeve van het uitvoeren van het Handhavingsprotocol bouwstoffen is kennis van de inhoud van het gehele Handhavingsprotocol bouwstoffen en de normen waarnaar in het Handhavingsprotocol bouwstoffen wordt verwezen van essentieel belang. Om te komen tot de toetsing van een partij van een bouwstof dienen een aantal stappen te worden doorlopen, te weten monsterneming, monstervoorbehandeling, uitloging, analyse van de bouwstof en analyse van het eluaat en toetsing van de analyseresultaten. Elk van deze stappen legt eisen op aan de daaraan voorafgaande en daarna volgende stappen, waarbij de eisen afhankelijk zijn van bijvoorbeeld de te bepalen stoffen en de uit te voeren proef of proeven. Daarom dient vóór aanvang van de toetsingsprocedure het gehele Handhavingsprotocol bouwstoffen te worden doorlopen om vast te stellen op welke manier invulling aan de verschillende onderdelen van de procedure moet worden gegeven. Een aantal essentiële punten hierbij is: In dit Handhavingsprotocol bouwstoffen zijn een groot aantal verwijzingen opgenomen naar andere delen van dit Handhavingsprotocol bouwstoffen zelf, zowel als naar onderdelen van normen. Verwijzingen naar onderdelen van dit Handhavingsprotocol bouwstoffen vinden uitsluitend plaats onder verwijzing naar de betreffende paragraaf, aangegeven met het §-teken. Verwijzingen naar onderdelen van normen vinden plaats onder vermelding van het betreffende hoofdstuk-nummer.
- de vraag of het Handhavingsprotocol bouwstoffen van toepassing is, zoals toegelicht onder a van deze toelichting;
- op welke wijze dient de monsterneming te worden uitgevoerd (§ 4);
- welke wijze van opslag en conservering dient te worden gevolgd (§ 5);
- welke wijze van monstervoorbehandeling dient te worden gebruikt (§ 6);
- welke stoffen in de bouwstof moeten worden bepaald (§ 8);
- welke uitloogproef of proeven moeten worden uitgevoerd (§ 9).
- c. Aangewezen instanties Het hier beschreven onderzoek moet worden uitgevoerd door een “door Onze Ministers aangewezen instantie” zoals aangegeven in artikel 8.2 van de Uitvoeringsregeling. Deze “door Onze Ministers aangewezen instantie” zijn laboratoria en onderzoeksbureaus die werken volgens het Accreditatieprogramma Bouwstoffenbesluit (AP04) en geaccrediteerd zijn door de Raad voor Accreditatie (NSS) of een vergelijkbaar buitenlands laboratorium. In hoofdstuk 1 van AP04 staan de eisen genoemd waaraan een laboratorium moet voldoen wil het een accreditatie voor het Bouwstoffenbesluit kunnen krijgen en aangewezen worden door de Ministers van VROM en V&W. In de Staatscourant en op de internetsite van het Ministerie van VROM (www.minvrom.nl/bodem/bouwstoffenbesluit) worden lijsten gepubliceerd van laboratoria die zijn aangewezen.
- d. De te bepalen stoffen Voor de te bepalen stoffen geldt dat de keuze voor een analysepakket primair zal worden ingegeven op basis van die stoffen die voor de betreffende bouwstof als ‘kritisch’ kunnen worden beschouwd. Daarbij wordt een stof beschouwd als een ‘kritische’ stof indien deze een meer dan marginale kans heeft om de samenstellings- of immissiewaarden te overschrijden. De hiervoor gegeven benadering is echter niet vastgelegd; het betreft een voorkeursvariant. De handhaver is vrij om van deze voorkeursvariant af te wijken en het analysepakket op een andere wijze te definiëren. Het standaardpakket aan te analyseren stoffen voor schone grond is voor grond getoetst in het kader van het Handhavingsprotocol bouwstoffen niet van toepassing; ook voor grond geldt een benadering op basis van ‘kritische’ stoffen.
- a. toetsingswaarde. een getalsmatig uitgedrukte waarde voor een bepaalde eigenschap in de monsters waarboven tot afkeuring van de partij wordt overgegaan.
- b. aselecte handeling: een handeling die wordt uitgevoerd met behulp van toevalsgetallen, die liggen tussen de 0 en 1 en op basis van een toevalsproces volgens een uniforme verdeling worden gekozen.
- c. effectieve greep- en monstergrootte: de grootte (kg) van de greep respectievelijk het monster zoals die in het uit te voeren onderzoek moeten worden genomen, bepaald op basis van de relatie tussen de minimale greep- en monstergrootte en het aantal in een mengmonster samen te voegen grepen.
- d. stratum (mv. strata): een ten behoeve van de monsterneming gedefinieerd deel van een partij.
- a. tussenwaarde: de helft van de som van de samenstellingswaarden voor grond in bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit en de overeenkomstige stof in bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit (= ½(samenstellingswaarde bijlage 1 van het Bouwstoffenbesluit + samenstellingswaarde bijlage 2 van het Bouwstoffenbesluit)).
- b. afkeurfactor: factor waarmee in de toetsing van de resultaten aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit rekening wordt gehouden met de spreiding die resulteert uit de verschillende handelingen en de heterogeniteit van de partij. Als de waarde voor een bepaalde eigenschap van stof i in een monster, bepaald volgens dit Handhavingsprotocol bouwstoffen, en gedeeld door de afkeurfactor, boven de eis van het Bouwstoffenbesluit ligt, voldoet de eigenschap van stof i niet aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit.
- het type bouwstof: niet-vormgegeven of vormgegeven;
- de omstandigheden waaronder de bouwstof kan worden bemonsterd: vanuit een materiaalstroom of vanuit een statische partij;
- de uit te voeren bepalingen: gehalte bepalingen of een van de verschillende uitloogproeven (kolomproef, beschikbaarheidsproef, diffusieproef);
- de te bepalen stoffen: een opdeling in vluchtige, matig-vluchtige en niet-vluchtige stoffen.
- a: ‘gelijkvormige’ elementen en grote eenheden of constructies ≥ 50 cm³
- b: grofkorrelige materialen waar van o.a. D90 ≥ 90 mm
- Partij stenen bestaande uit een aantal pallets bij een bouwwerk, nog niet in toepassing: Partijdefinitie door het vastleggen van de plaats(en) waar de pallets aanwezig zijn, het vastleggen van het aantal pallets dat tot dezelfde partij moet worden gerekend, het vastleggen van het aantal stenen op elk van de pallets en het vastleggen van de aard, vorm en grootte van de stenen.
- Partij stenen reeds in toepassing: Beschrijving van de toepassing en de ruimtelijke afbakening van de partij ten opzichte van eventueel andere stenen die in het bouwwerk zijn gebruikt, het bepalen of schatten van het aantal stenen in de partij en het vastleggen van de aard, vorm en grootte van de stenen.
- de te bemonsteren bouwstof is eenduidig te definiëren (het is bekend om wat voor type bouwstof het gaat);
- het betreffende type bouwstof is ten minste reeds tien maal eerder onderzocht;
- de bouwstof had bij deze eerdere onderzoeken een (vrijwel) gelijke maximale korrelgrootte (± 5%);
- er wordt ten behoeve van het berekenen van de minimale greep- en monstergrootte uitgegaan van een veilige D95, namelijk een D95 die één maaswijdte groter is dan de grootste in de voorgaande bepalingen vastgestelde D95.