Bijlage B Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit: , behorende bij artikel 2.1, van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit: Bepalen of een materiaal een bouwstof is.
Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit
De monsterneming wordt uitgevoerd volgens NEN 7300, NVN 7301, NVN 7302 of NVN 7303. In deze bijlage zijn nadere aanwijzingen gegeven ten aanzien van de toepassing van deze NEN en NVN's. Er is geen maximale partijgrootte gedefinieerd waaruit moet worden bepaald of een materiaal een bouwstof is. Wel moet de te bemonsteren partij materiaal overeenkomstig NVN 7302 of NVN 7303 (beiden hoofdstuk 6) worden gedefinieerd. Voor statische partijen moet ook de plaats worden vastgelegd waar het materiaal aanwezig is en de ruimtelijke positionering m.b.v. x, y en z-coördinaten. Voor een materiaalstroom moet o.a. de aanvangs- en eindtijd worden bepaald evenals de transportsnelheid en de bandbelading. Het aantal grepen dat wordt genomen is 12. Het aantal mengmonsters dat wordt onderzocht is 3. Het aantal grepen dat wordt samengevoegd in een mengmonster is gelijk aan 4. De monsterneming kan worden uitgevoerd vanuit een statische partij of vanuit een materiaalstroom. Aanwijzingen hiervoor staan in NVN 7301, NVN 7302 of NVN 7303. “Methodisch afgesproken monsterneming” volgens hoofdstuk 7.3 van NVN 7302 is niet toegestaan. Elke greep wordt individueel verpakt volgens NVN 7311. Monsteropslag en -conservering worden uitgevoerd overeenkomstig NEN 7310 en NVN 7311. Bepaal welke van de grepen per mengmonster worden samengevoegd. De mengmonsters worden, indien nodig, gedroogd bij 40°C volgens NVN 7312. Vervolgens wordt het volledig gedroogde mengmonster vermalen tot een maximale deeltjesgrootte van 250 μm. Hierbij wordt de werkwijze van hoofdstuk 7.6.3 “Verkleinen tot deeltjes kleiner dan 125 μm” van NVN 7312 toegepast. Deze verkleining vindt plaats met een kruisslagmolen, waarbij in plaats van een zeef van 125 μm een zeef van 500 μm wordt toegepast. D.m.v. roterend verdelen overeenkomstig NVN 7312, hoofdstuk 7.7.2 wordt het monster verdeeld. Eén deelmonster (van minimaal 250 gram) wordt vervolgens verder vermalen tot 250 μm. Als het te onderzoeken materiaal bestaat uit elementen of proefstu
- 1. Om het gehalte Al, Ca en Si te bepalen wordt, in afwijking van de ASTM-norm, een calibratiecurve opgesteld. Deze is gebaseerd op de absorptiewaarden van de standaardoplossingen (‘Standards’) zoals beschreven in de ASTM-norm (§9.1, §10.1 en §12.1). De calibratiecurve voldoet bij voldoende lage concentraties aan de wet van Lambert-Beer en vormt dan een rechte lijn. Wanneer blijkt dat dit niet het geval is, worden de standaardoplossingen verdund.
- 2. De absorpties van de blanco (‘blank’) en het te onderzoeken monster (‘sample solution’), gemaakt als in §9.3, §10.3 en §12.3 van de ASTM-norm, worden gemeten. De calibratiecurve wordt gebruikt om de concentratie in de blanco (cb in ppm) en het monster (cm in ppm) te bepalen. Deze twee concentraties worden van elkaar afgetrokken, wat de concentratie in het gemeten monster oplevert: Indien bij de metingen blijkt dat het te onderzoeken monster buiten het meetbereik ligt, wordt het te onderzoeken monster verder verdund (verdunningsfactor f) met de blanco-oplossing. Informatie omtrent het uitvoeren van analyses met behulp van atomaire absorptiespectrometrie kan worden verkregen uit NPR 6450.
- 3. Voor de berekening van het percentage Al, Ca en Si in het onderzochte materiaal (resp. %Al, %Ca en %Si) worden de volgende formules ingevuld: waarin:
- f de factor is (dimensieloos) waarmee het te onderzoeken monster (eventueel extra) is verdund (zie 2);
- m de in bewerking genomen massa van het te onderzoeken monster, in g, is;
- Vo het totale volume destruaat, in ml, is;
- Vo/m voor Al 1/200 ml/g, voor Ca 1/200 ml/g en voor Si 1/50 ml/g is (zie ASTM-norm §9.3, §10.3 en §12.3, ‘sample of solution’)