Bijlage I Regeling bemonstering en analyse overige organische meststoffen
Regeling bemonstering en analyse overige organische meststoffen
De bemonstering dient plaats te vinden bij de slibaftap van het zuiveringssysteem. Bij het nemen van een tapmonster moet een zodanige doorspoeling van de slibleiding hebben plaatsgevonden dat de inhoud van de leiding voor het slibaftappen geheel is ververst. De tapmonsters mogen uitsluitend verzameld worden in schone flessen of vaten vervaardigd uit, dan wel bekleed met polyethyleen. Deze mogen maximaal voor driekwart van de inhoud gevuld worden (in verband met eventuele gasontwikkeling en met het mengen van de inhoud). Vloeibaar zuiveringsslib wordt twee maal per week bemonsterd met ten minste twee dagen tussenruimte tussen twee bemonsteringen. Deze tapmonsters mogen over een periode van maximaal vier weken worden gecombineerd tot één inzendmonster. Het inzendmonster wordt gevormd door een representatief monster te nemen van de intensief gemengde tapmonsters. De minimale omvang van een inzendmonster bedraagt 750 gram. De bemonsteringsfrequentie mag volgens bijgaand schema worden verlaagd, indien voor elk van de bestanddelen waarop het Besluit betrekking heeft geldt dat het voortschrijdende gemiddelde gehalte minstens binnen de in het schema weergegeven trajecten ligt. De bemonsteringsfrequentie bedraagt echter ten minste vier maal per jaar. Voortschrijdend gemiddelde bemonsteringsfrequentie (in % van grenswaarde) > 95% en < 105% \011 8 monsters/4 weken 90-95% of 105-110% 1 monster/4 weken 80-90% of 110-120% 1 monster/6 weken < 80% of > 120% \011 1 monster/12 weken Voor vaststelling van het voortschrijdende gemiddelde wordt verwezen naar paragraaf 4 van deze bijlage. De bemonstering dient plaats te vinden op het einde van het ontwateringsproces. Het bemonsteringspunt zal per installatie apart vastgesteld moeten worden zodanig dat de analyses worden uitgevoerd op het ontwaterde eindprodukt. De steekmonsters mogen uitsluitend verzameld worden in schone flessen of vaten vervaardigd uit, dan wel bekleed met polyethyleen. Deze mogen maximaal voor driekwart van de inhoud
- 14 mm voor bouwland en maïsland
- 22 mm voor grasland.
- 25 cm voor bouwland en maïsland
- 10 cm voor grasland.
- indien het voortschrijdend gemiddelde van de analyseresultaten van een element uit een periode van minimaal 6 maanden en maximaal 12 maanden hoger is dan de grenswaarde, of
- indien een analyseresultaat de grenswaarde met meer dan een factor 1,5 overschrijdt;