Art. 41 IJkregeling meetwerktuigen, Algemene voorschriften
Indien de onderzijde van de metende ruimte wordt begrensd door een afsluitinrichting, moeten de bodem en in voorkomende gevallen de afvoerleiding ten minste de volgende helling hebben:
a. bij vast opgestelde meetwerktuigen: in de verhouding 1:10;
b. bij niet vast opgestelde meetwerktuigen: in de verhouding 1:5.