Art. 9.11 Regeling toelatingseisen, Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Regeling toelatingseisen

1. De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,40 m en niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.

2. De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:

a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Indien de personenauto is uitgerust met vier stadslichten geldt de afstand van 0,40 m binnenwaarts slechts voor twee symmetrisch aan weerszijden aangebrachte stadslichten;

b. op een hoogte van niet meer dan 1,60 m boven het wegdek.

3. De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht:

a. bij personenauto's met één richtingaanwijzer aan elke zijkant op een hoogte van niet meer dan 2,00 m;

b. bij personenauto's met twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde:

1. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m;

2. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag de richtingaanwijzer op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.

4. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:

a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; Indien de personenauto is uitgerust met vier achterlichten, geldt de afstand van 0,40 m binnenwaarts slechts voor twee symmetrisch aan weerszijden aangebrachte achterlichten;

b. op een hoogte van niet meer dan 1,50 m boven het wegdek.

5. De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,60 m boven het wegdek Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,60 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één remlicht aanwezig is, moet dat in het midden of links van het midden zijn aangebracht.

6. De niet-driehoekige rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde zijn aangebracht:

a. op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, en

b. op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.