Art. 8.17 Regeling toelatingseisen, Eisen met betrekking tot oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld van spiegels van driewielige motorrijtuigen
1. De rechterbuitenspiegel van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 30 september 1988, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 4,00 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 7.
2. De rechterbuitenspiegel van driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen vóór 1 oktober 1988, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder vanaf een punt gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder tot aan de horizon ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte met een breedte van 3,50 m kan overzien. Dit gedeelte wordt links begrensd door het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdige verticale vlak door het meest rechtse punt van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 8.