Art. 11.4 Regeling toelatingseisen, Diversen

Regeling toelatingseisen

1. Voor de aanvang van de meting moet de geluidsniveaumeter worden ingesteld op de tijdweging “F” (voorheen aangeduid met “Fast”) en de frequentieweging “A” zoals bedoeld in de in artikel 11.2 genoemde IEC publicatie.

2. De meting vindt midden voor het voertuig plaats, waarbij de horizontale afstand tussen de geluidsniveaumeter en de voorzijde van het voertuig 7,00 m bedraagt.

3. De microfoon van de geluidsniveaumeter moet op een hoogte van ten minste 0,50 m en niet meer dan 1,50 m boven het grondoppervlak worden geplaatst, zodanig dat de maximum geluidssterkte wordt gemeten.

4. In de directe omgeving van de geluidsniveaumeter en het voertuig mogen zich geen personen of voorwerpen bevinden die niet noodzakelijk zijn voor de meting.