Art. 10.10 Regeling toelatingseisen, Bijzondere constructies
1. Van een door een kortkoppelsysteem verbonden samenstel van een bedrijfsauto en een aanhangwagen, dat in de lengterichting in lijn staat, mag:
a. geen enkel deel van de koppelinrichting en van het kortkoppelsysteem, met uitzondering van een noodzakelijk bedieningsmechanisme, één van de voertuigen raken indien de voertuigen onderling in een verticale hoek van 6° ten opzichte van elkaar staan, en
b. geen enkel deel van de opbouw van de voertuigen elkaar raken indien de voertuigen onderling in een verticale hoek van 5° ten opzichte van elkaar staan.
2. Door middel van een berekening kan worden aangetoond of aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan.