Art. 1.1 Regeling toelatingseisen, Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
de overdruk uitgedrukt in bar (1 bar = 100 kPa);
doseerklep of verdeelhuis: de eenheid die de benodigde hoeveelheid gas, onder druk, naar het inspuitstuk regelt of verdeelt;
inspuitventiel of injector: de eenheid die de benodigde hoeveelheid gas, al dan niet in vloeibare vorm, onder druk aan de inlaatlucht van de motor toevoegt;
de behuizing die ervoor zorgt dat de daarin bevindende CNG-onderdelen en verbindingen gasdicht van de personen- of laadruimte worden afgesloten: deze behuizing kan o.a. in de vorm van een kast of hoes zijn uitgevoerd;
het invoerstuk dat in het inlaatkanaal van de motor wordt geplaatst en het gas mengt met de inlaatlucht;
Dienst Wegverkeer;
eenheid die de LPG- dan wel CNG-hoeveelheid regelt en die automatisch de spanning op de afsluitkleppen van het LPG- dan wel CNG-systeem onderbreekt bij breuk van de brandstoftoevoerleiding of bij het uitzetten van de motor;
voorziening die ervoor zorgt dat gasvormig LPG dan wel CNG wordt afgeblazen ter voorkoming van het barsten van de tank tengevolge van een brand (Pressure Relief Device, PRD);
veergestuurde veiligheidsklep die de druk in de tank limiteert door het afblazen van gasvormig LPG dan wel CNG (Pressure Relief Valve, PRV);
aansluiting in de brandstofleiding tussen de LPG-tank en de motor ten behoeve van het aansluiten van een extra LPG-tank indien de brandstof is opgeraakt.