Art. 2 Nederlandse uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-Israël, Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot deelnemingdividenden (vrijstellingsprocedure)

Nederlandse uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-Israël

1. Een lichaam, dat aan een lichaam dat inwoner van Israël is en dat onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het eerstbedoelde lichaam, dividenden betaalt waarop ingevolge artikel 11, tweede lid, onderdeel a (ii), van de Overeenkomst ten hoogste 5 percent dividendbelasting mag worden ingehouden, kan bij de inspecteur van de eenheid van de Belastingdienst binnen wiens ambtsgebied het is gevestigd, het verzoek indienen ontslagen te worden van de verplichting tot inhouding van die belasting voor zover deze meer dan 5 percent bedraagt.

2. In het verzoek wordt opgaaf verstrekt van: In het verzoek wordt voorts verklaard dat het kapitaal van het Israëlische lichaam waarop het verzoek betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld.

a) de naam, de plaats van vestiging en het adres van het in het eerste lid bedoelde Israëlische lichaam;

b) het totale nominale bedrag van het geplaatste en gestorte kapitaal van het Nederlandse lichaam;

c) het gedeelte van dat kapitaal dat het in het eerste lid bedoelde Israëlische lichaam onmiddellijk bezit.

3. Indien de inspecteur gunstig op het verzoek beslist, blijft zijn beslissing van kracht met betrekking tot elk daarin genoemd lichaam zolang ‐ het lichaam inwoner van Israël is, en ‐ het lichaam onmiddellijk ten minste 25 percent van het geplaatste en gestorte kapitaal van het Nederlandse lichaam blijft bezitten, en ‐ de in de laatste volzin van het tweede lid bedoelde verklaring op het Israëlische lichaam van toepassing blijft. De bestuurder van het Nederlandse lichaam aan wie blijkt of die redelijkerwijs moet vermoeden dat zulks in enig opzicht niet meer het geval is, is gehouden daarvan aan de inspecteur schriftelijk mededeling te doen vóór de eerstvolgende vaststelling van dividend.