Bijlage II Besluit indicatie sociale werkvoorziening: behorende bij Besluit indicatie sociale werkvoorziening, artikel 3, eerste lid en bij artikel 6, eerste lid
Besluit indicatie sociale werkvoorziening
Raadpleeg voor deze afbeelding Stb. 1997/469. Het gehele indicatieproces zal een min of meer iteratief karakter hebben, waarbij een vroegtijdige voorlopige inschatting van geschikte branches en functieniveau noodzakelijk kan zijn bij het komen tot een oordeel over de onderdelen 1. en volgende. De vaststelling van arbeidshandicapniveaus wordt als volgt bepaald aan de hand van de prestatiemogelijkheden (meer – minder), in combinatie met het niveau van de noodzakelijke voorzieningen en/of maatregelen (vérstrekkend – niet vérstrekkend): licht arbeidsgehandicapt: meer prestatiemogelijkheden + niet vérstrekkende voorzieningen matig arbeidsgehandicapt: meer prestatiemogelijkheden + vérstrekkende voorzieningen minder prestatiemogelijkheden + niet vérstrekkende voorzieningen ernstig arbeidsgehandicapt: minder prestatiemogelijkheden + vérstrekkende voorzieningen. De arbeidshandicap zal in veel gevallen rechtstreeks kunnen worden afgeleid uit de aard van de stoornis en van de beperkingen die daarmee gepaard gaan. Zo mag op voorhand worden aangenomen dat verstandelijk gehandicapten en psychisch gehandicapten aangewezen zijn op speciale werkbegeleiding. Van matig verstandelijk gehandicapten en van ernstig psychisch gehandicapten mag bovendien worden verondersteld dat zij niet in staat zijn tot het leveren van arbeidsprestaties (zie ad 2.) boven de 50% (zie ad 5.). Het merendeel van de lichamelijk gehandicapten zal niet aangewezen zijn op speciale werkbegeleiding, of op andere voorzieningen, die als vérstrekkend worden beschouwd (zie ad 4.). Evenmin hoeft er bij lichamelijk gehandicapten op voorhand worden uitgegaan van eenprestatieplafond van 50% (zie ad 2.). In een hulptabel is de a priori-indeling gegeven. In individuele gevallen kunnen bovenstaande veronderstellingen leiden tot het toekennen van een te lichte arbeidshandicap. In die gevallen zal, in afwijking van de a priori indeling, de vaststelling van de arbeidshandicap geschieden aan de hand van het beargumenteerde oordee
- a. algemene voorzieningen voor (lichamelijk) gehandicapten betreffende toegankelijkheid, gebruik en veiligheid;
- b. eenmalige individuele aanpassingen in de werkplek en werkomgeving, voor zover de eenmalige kosten niet de helft van het maximale subsidiebedrag per arbeidsplaats van 36 uur te boven gaan;
- c. structurele voorzieningen, voor zover deze niet een achtste van het maximale subsidiebedrag per arbeidsplaats van 36 uur te boven gaan;
- d. organisatorische aanpassingen aan functies die, na aanpassing, gewaardeerd worden boven een bij ministeriële regeling vastgesteld functieniveau.
- f. combinaties van twee of meer van onder ad 3. genoemde maatregelen;
- g. eenmalige individuele technische aanpassingen in de werkplek en werkomgeving, voor zover deze de helft van het maximale subsidiebedrag per arbeidsplaats van 36 uur te boven gaan;
- h. individuele voorzieningen met structurele kosten, voor zover deze een achtste van het maximale subsidiebedrag per arbeidsplaats van 36 uur te boven gaan;
- i. organisatorische aanpassingen die inherent zijn aan alle functies die gewaardeerd worden beneden een bij ministeriële regeling vastgesteld functieniveau;
- j. speciale werkbegeleiding, waarbij speciale kennis en vaardigheden van de leidinggevende vereist zijn, of waarbij de noodzakelijke intensiteit van begeleiding meer dan 50% hoger is dan bij een soortgelijke functie onder normale werkomstandigheden het geval zou zijn.