Art. 1.01 Reglement Rijnpatenten 1998, – Begripsbepalingen

Reglement Rijnpatenten 1998

In dit reglement wordt verstaan onder:

1. schip: een binnenschip, een zeeschip of een drijvend werktuig;

2. binnenschip: een schip, met inbegrip van een veerpont, dat uitsluitend of overwegend is bestemd voor de vaart op de binnenwateren;

3. zeeschip: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe bestemd is;

4. drijvend werktuig: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;

5. pleziervaartuig: een schip dat is bestemd voor sportieve of recreatieve doeleinden en dat niet is een passagiersschip;

6. passagiersschip: een schip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;

7. sleepboot: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;

8. duwboot: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;

9. vervallen;

10. overheidsvaartuig: een schip waarvan de lengte niet meer dan 25 m bedraagt en dat ter uitvoering van overheidstaken wordt ingezet;

11. brandweerboot: een schip waarvan de lengte 15 m of meer bedraagt en dat ter uitvoering van brandweerdiensten wordt ingezet;

12. lengte: de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;

13. breedte: de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);

14. gekoppeld samenstel: een hecht samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;

15. dekbemanning: de bemanning met uitzondering van machinisten;

16. matroos, matroos-motordrijver, volmatroos, stuurman: een persoon, die de bekwaamheid bedoeld in de bemanningsvoorschriften van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn bezit;

17. vaartijd: de tijd aan boord van een schip, dat een reis maakt.