Bijlage 3 Besluit opleidingseisen arts: bij het Besluit opleidingseisen arts
De juist afgestudeerde arts is in staat beperkingen en problemen op deze gebieden te herkennen en ter zake een adequaat (verwijs)beleid te voeren. Dat is vooral belangrijk als het gaat om gevolgen van chronisch ziek zijn, inclusief somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK). De volgende gebieden worden onderscheiden: De juist afgestudeerde arts is in staat de beïnvloedende factoren van het individu (persoonlijke factoren) en die van de omgeving (externe factoren) te herkennen en ter zake een adequaat (verwijs)beleid te voeren, mede met het oog op verbetering van aanpassing aan ziekte en beperkingen. In het bijzonder geldt dat ook voor: De rol van geslacht, gender, sociaaleconomische achtergrond en diversiteit in relatie tot stoornissen (van functies en/of anatomische eigenschappen van het menselijk lichaam) Tot de thematiek waarbinnen de juist afgestudeerde arts zijn/haar kennis (bijlage 2) gebruikt en competenties (bijlage 1) toont, behoren ook de volgende vraagstukken:
- – Mentale functies
- – Sensorische functies
- – Stem en spraak
- – Hart en bloedvatenstelsel
- – Hematologisch systeem
- – Afweersysteem
- – Ademhalingsstelsel
- – Spijsverteringsstelsel
- – Metabool stelsel
- – Hormoonstelsel
- – Urogenitaal stelsel
- – Reproductieve functies
- – Bewegingssysteem
- – Huid en adnexen
- – Zenuwstelsel
- – Oog en oor
- – Neus, mond en keel
- – Luchtwegen
- – Hart en bloedvaten
- – Lymfesysteem, milt en beenmerg
- – Speekselklieren, slokdarm, maag, darmen, lever, galblaas en alvleesklier
- – Endocriene klieren
- – Urogenitale stelsel
- – Steun- en bewegingsapparaat
- – Huid en adnexen
- – Leren en toepassen van kennis In hoeverre is het individu in staat tot leren, toepassen van het geleerde, denken, oplossen van problemen en beslissen ten aanzien van het voorliggende probleem
- – Algemene taken en eisen In hoeverre is het individu in staat tot het uitvoeren van enkelvoudige of meervoudige taken, routinehandelingen en omgaan met stress ten aanzien van het voorliggende probleem
- – Communicatie In hoeverre is het individu in staat te communiceren via taal, tekens en symbolen ten aanzien van het voorliggende probleem
- – Mobiliteit In hoeverre spelen beperkingen in de mobiliteit een rol bij het functioneren
- – Zelfverzorging Het voor zichzelf zorgen, zich wassen en afdrogen, zorgdragen voor lichaam en lichaamsdelen, zich aankleden, eten en drinken, en zorgdragen voor eigen gezondheid
- – Huishouden In hoeverre wordt het uitvoeren van dagelijkse huishoudelijke activiteiten en taken beperkt.
- – Tussenmenselijke interacties en relaties Welke rol speelt het voorliggende probleem bij het functioneren van het individu bij het uitvoeren van acties en taken die nodig zijn voor basale en complexe interacties met personen
- – Belangrijke levensgebieden Welke beperkingen in het functioneren zijn er bij het individu in het uitvoeren van taken en acties in het kader van opleiding, werk en beroep en het uitvoeren van economische transacties
- – Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven Welke beperkingen in het functioneren van het individu spelen op het niveau van de acties en taken die nodig zijn om deel te nemen aan het maatschappelijke leven
- – Universele preventie, individueel en collectief
- – Selectieve preventie, individueel en collectief
- – Geïndiceerde preventie
- – Zorggerelateerde preventie
- – Partnergeweld
- – Kindermishandeling
- – Mishandeling van ouderen
- – Overconsumptie
- – Onderconsumptie
- A. Triage spoedeisende zorg
- B. Basisopvang van traumapatiënt
- C. Sportletsels
- D. Abnormale bevindingen bij mensen zonder klachten
- E. Multimorbiditeit
- F. Kwetsbaarheid («frailty»)
- G. Polyfarmacie
- H. Verslaving
- I. Chronische zorg
- – Revalidatiezorg
- – Verpleeghuis-/instellingszorg
- J. Passende zorg
- – Advance care planning
- – Kostenbewustzijn
- – Signaleren van onder- en overbehandeling
- K. Palliatieve zorg
- L. Begeleiden van het levenseinde
- M. Moreel-ethische vragen