Bijlage 1 Besluit opleidingseisen arts: bij het Besluit opleidingseisen arts
De arts integreert medische deskundigheid met alle overige competenties uit de CanMEDS-competentiedomeinen. De arts past medische kennis en (klinische) vaardigheden toe en handelt op basis van professionele waarden om kwalitatief hoogstaande, doeltreffende, doelmatige en veilige patiënt- of populatiegerichte (preventieve) zorg te leveren. De juist afgestudeerde bachelor is in staat om: De juist afgestudeerde arts is in staat om: De arts gaat een doeltreffende en empathische relatie aan en onderhoudt deze met patiënten, hun naasten en andere (zorg)professionals om essentiële informatie die nodig is voor goede (preventieve) zorg te verzamelen en te delen en om een goede begeleiding te kunnen geven. De juist afgestudeerde bachelor is in staat om: De juist afgestudeerde arts is in staat om: De arts werkt effectief en doelmatig samen met andere (zorg)professionals en patiënten en hun naasten om veilige, hoogwaardige (preventieve) zorg te leveren waarbij de patiënt centraal staat. De juist afgestudeerde bachelor is in staat om: De juist afgestudeerde arts is in staat om: De arts handelt vanuit een visie op de zorg en neemt daarbij tevens verantwoordelijkheid voor enerzijds de eigen persoonlijke ontwikkeling en anderzijds de professionele ontwikkeling. De arts reflecteert en toont persoonlijk leiderschap ten aanzien van de eigen ontwikkeling. De arts werkt samen met anderen om zorg te dragen voor een hoogwaardig en doelmatig gezondheidszorgsysteem, optimale zorg en een continue professionele ontwikkeling van zichzelf en collega’s. De juist afgestudeerde bachelor is in staat om: De juist afgestudeerde arts is in staat om: De arts zet diens kennis en expertise in om de gezondheid en het welzijn van de individuele burger, populatie en de volksgezondheid als geheel te verbeteren, rekening houdend met beschikbare middelen. De juist afgestudeerde bachelor is in staat om: De juist afgestudeerde arts is in staat om: De juist afgestudeerde bachelor is in staat om: De juist afgestud
- 1. eenvoudige gezondheidsvraagstukken te analyseren, gebruikmakend van relevante biopsychosociale kennis en wetenschappelijke bronnen in de gesimuleerde beroepssituatie1Een «gesimuleerde beroepssituatie» houdt in dat de praktijk op enige wijze wordt nagebootst, bijvoorbeeld met inzet van (simulatie)patiënten of door het op elkaar oefenen van studenten. of eenvoudige praktijksetting2Met «eenvoudige praktijksetting» wordt bedoeld dat het gaat om enkelvoudige klachten, zonder complexe interacties. van directe dan wel indirecte patiëntenzorg;
- 2. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksettingdoeltreffend, doelmatig, ethisch verantwoord en patiëntgericht een consult te verrichten met een individuele patiënt;
- 2.1 gebruikmakend van de relevante biopsychosociale kennis een eenvoudig consult te verrichten;
- 2.2 een volledige (hetero)anamnese af te nemen;
- 2.3 in op niveau en complexiteit geselecteerde oefensituaties een lichamelijk onderzoek uit te voeren bij een (simulatie)patiënt;
- 2.4 van een enkelvoudig probleem een differentiaaldiagnose op te stellen;
- 2.5 in heldere bewoordingen een samenvatting te geven van een patiëntcasus;
- 2.6 mogelijke behandeldoelen te onderzoeken en te formuleren voor eenvoudige gezondheidsvraagstukken;
- 2.7 uitleg te geven over een behandelplan;
- 2.7.1 dit in begrijpelijke taal te bespreken;
- 2.7.2 te controleren of de patiënt alles heeft begrepen;
- 2.7.3 het gesprek adequaat te structureren.
- 3. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting voor enkelvoudige problemen te bepalen welke onderzoeken kunnen worden ingezet voor diagnostisch, preventief en/of therapeutisch beleid;
- 3.1 basale eerste hulp, inclusief reanimatie, toe te passen;
- 3.2 in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting een conceptplan op te stellen voor een behandeling of procedure voor enkelvoudige gezondheidsproblemen;
- 3.3 –;
- 3.4 –.
- 4. –.
- 5. in onderwijssituaties op professionele wijze veilig te werken;
- 5.1 de patiënt en diens veiligheid centraal te stellen in het medisch consult;
- 5.2 de principes van veilig werken in de gezondheidszorg toe te passen;
- 5.3 te reflecteren op het eigen handelen en hierop feedback te vragen;
- 5.4 effectief samen te werken;
- 5.5 –;
- 5.6 –;
- 5.7 –;
- 5.8 –;
- 5.9 –.
- 1. door middel van klinisch redeneren gezondheidsvraagstukken (bijlage 3) multidimensioneel te analyseren, gebruikmakend van de relevante biopsychosociale kennis en wetenschappelijke bronnen (bijlage 2), en toe te passen in de praktijk van de directe dan wel indirecte patiëntenzorg en op het individu gerichte preventie;
- 1.1 contextafhankelijk te denken en beslissen ter ondersteuning van het handelen in de professionele medische praktijk;
- 1.2 de verschillende fasen van het klinisch-redeneren-proces (diagnostische, therapeutische en evaluatiefase) op de juiste momenten toe te passen;
- 1.2.1 hiertoe gebruik te maken van competenties 2 t/m 5 van dit competentiedomein medische deskundigheid.
- 2. doeltreffend, doelmatig, ethisch verantwoord en patiëntgericht preventie, diagnostiek, prognostiek, gezamenlijke besluitvorming en behandeling/begeleiding toe te passen en een beleidsplan op te stellen voor zowel de individuele patiënt, patiëntengroepen als de populatie;
- 2.1 gebruikmakend van de relevante biopsychosociale kennis een consult te verrichten;
- 2.2 een volledige (hetero)anamnese af te nemen of populatie-informatie in kaart te brengen, rekening houdend met de medische voorgeschiedenis en met inachtneming van contextuele factoren op het niveau van de patiënt (leeftijd, multimorbiditeit, arbeidsparticipatie, sociaaleconomische status, gender, gezondheidsvaardigheden, taal en culturele, spirituele of religieuze achtergrond) of populatie;
- 2.3 op basis van de (hetero)anamnese de relevante organen en orgaansystemen te onderzoeken bij de patiënt en het functioneren van de patiënt in kaart te brengen en gezamenlijk behandeldoelen te bepalen, rekening houdend met de context van de patiënt;
- 2.4 de informatie uit anamnese en lichamelijk onderzoek of de beschikbare populatie-informatie te integreren tot een differentiaaldiagnose en te komen tot een voorstel voor een beleidsplan (diagnostiek, behandeling, preventie, gezondheidsbevordering);
- 2.5 in heldere bewoordingen het voorstel voor beleidsplan te bespreken met de supervisor;
- 2.6 samen met de patiënt en diens naasten, en in samenspraak met de supervisor, behandeldoelen op te stellen binnen het hele spectrum van vertragen van ziekteprogressie, behandelen van symptomen, genezen, functie verbeteren en palliatie;
- 2.7 met de patiënt en diens naasten een behandelplan op te stellen dat aansluit bij de wensen en doelen van de patiënt (gezamenlijke besluitvorming); en
- 2.7.1 dit in begrijpelijke taal te bespreken;
- 2.7.2 te controleren of de patiënt alles heeft begrepen;
- 2.7.3 het gesprek adequaat te structureren.
- 3. de juiste onderzoeken en/of therapieën in te zetten voor diagnostisch, preventief en/of therapeutisch en/of symptoomgericht beleid;
- 3.1 basale eerste hulp, inclusief reanimatie, toe te passen;
- 3.2 in overleg met de supervisor de indicatie te stellen voor een behandeling, procedure of preventieve maatregel;
- 3.2.1 dit in begrijpelijke taal uit te leggen aan de patiënt;
- 3.2.2 te komen tot informed consent en de patiënt en diens naasten hierbij te begeleiden;
- 3.2.3 complexe situaties te herkennen (zoals bij kwetsbare ouderen, in geval van multimorbiditeit of (meervoudige) beperkingen) en deze proactief met de supervisor te bespreken om het te volgen beleid hierop af te stemmen.
- 3.3 enkele eenvoudige chirurgische ingrepen uit te voeren (lokale verdoving, incisie en cutane hechtingen) en (farmaco)therapie (voorschrijven en controleren medicatie) toe te passen; en
- 3.3.1 uit te voeren op een bekwame en veilige manier;
- 3.3.2 supervisie te vragen waar nodig.
- 3.4 onderzoeken en therapie te prioriteren op basis van (klinische) urgentie en beschikbare middelen; en
- 3.4.1 door te verwijzen naar of te consulteren van andere (zorg) professionals indien nodig;
- 3.4.2 de patiënt en diens veiligheid centraal te stellen bij het uit te voeren beleid;
- 3.4.3 supervisie te vragen waar nodig.
- 4. zorg te dragen voor continuïteit van zorg en follow-up;
- 4.1 in overleg met de supervisor een adequaat plan op te stellen voor doorlopende zorg; en
- 4.1.1 indien van toepassing vervolgonderzoek, controle op behandeling en verwijzing te organiseren.
- 5. medische deskundigheid te tonen en bij te dragen aan de continue verbetering van de gezondheidszorgkwaliteit en patiëntveiligheid op zowel individueel-, patiëntengroep- als populatieniveau;
- 5.1 de patiënt en diens veiligheid centraal te stellen in het medisch consult;
- 5.2 volgens de geldende veiligheidsprotocollen te werken en incidenten adequaat te melden en verdere schade te voorkomen;
- 5.3 te reflecteren op het eigen handelen en hierop feedback te vragen;
- 5.4 effectief en in het belang van de patiënt samen te werken met andere (zorg)professionals om de (preventieve) zorg te optimaliseren;
- 5.5 in samenspraak met de supervisor een wetenschappelijk en/of maatschappelijk verantwoord standpunt in te nemen ten aanzien van preventie;
- 5.6 verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van het signaleren van gezondheidsrisico’s op patiënt- en populatieniveau (zoals werk, leefstijl, huiselijk geweld en meldplicht infectieziekten);
- 5.7 in overleg met de supervisor ontwikkelingen in zorglandschap en financiering uit te leggen aan patiënten en burgers;
- 5.8 in overleg met de supervisor bij te dragen aan kwaliteit van zorg door kwaliteitsindicatoren te interpreteren en in te zetten voor zorgverbetering;
- 5.9 kostenbewust te handelen en adequaat om te gaan met schaarse middelen in de zorg.
- 1. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting met patiënten contact te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen; en daarbij
- 1.1 zowel verbaal als non-verbaal empathisch en respectvol te communiceren;
- 1.2 –;
- 1.3 –;
- 1.4 contextuele factoren te herkennen in de communicatie;
- 1.5 meningsverschillen en emotioneel beladen gesprekken te (h)erkennen en te experimenteren met gedragsalternatieven om hiermee om te gaan (onder supervisie van de docent).
- 2. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting relevante biopsychosociale informatie over een medisch probleem te verzamelen en te analyseren; en daarbij
- 2.1 onderliggende zorgbehoeften en voorkeuren te verhelderen door gebruik te maken van persoonsgerichte anamnestische vragen;
- 2.2 –.
- 3. –;
- 4. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting patiënten en hun naasten te betrekken in het opstellen van behandelplannen die aansluiten bij hun wensen en doelen; en daarbij
- 4.1 (bij een enkelvoudig probleem) wensen en doelen van de patiënt te bespreken en rekening te houden met contextuele factoren.
- 5. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting medische informatie op adequate wijze te documenteren;
- 5.1 –;
- 5.2 –.
- 1. met zowel patiënten en hun naasten als met collega (zorg)professionals of andere instanties een professionele relatie op te bouwen en te onderhouden op basis van wederzijds begrip, empathie en vertrouwen;
- 1.1 zowel verbaal als non-verbaal empathisch en respectvol te communiceren;
- 1.2 in de communicatie het vertrouwen en de autonomie van de gesprekspartner te ondersteunen en inzicht te geven in diens eigen rol;
- 1.3 de fysieke omgeving te optimaliseren ter bevordering van comfort, waardigheid, privacy, betrokkenheid en veiligheid van de gesprekspartner;
- 1.4 rekening te houden met contextuele factoren (leeftijd, multimorbiditeit, functionaliteit, levensfase, arbeidsparticipatie, sociaaleconomische status, gender, gezondheidsvaardigheden, taal en culturele en religieuze achtergrond) in de communicatie;
- 1.5 adequaat om te gaan met meningsverschillen, door de patiënt ingebrachte eigen achtergrondinformatie (o.a. internet, hypes) en emotioneel beladen gesprekken;
- 1.5.1 daarbij waar nodig hulp van collega of supervisor in te schakelen.
- 2. relevante biopsychosociale informatie over een medisch probleem te verzamelen, te ordenen en te integreren in overleg met de betrokkenen;
- 2.1 onderliggende zorgbehoeften en voorkeuren te verhelderen door gebruik te maken van persoonsgerichte (anamnestische) vragen;
- 2.2 in overleg met de supervisor en indien nodig na informed consent van de patiënt informatie op te vragen bij anderen (naasten, andere (zorg) professionals of instanties).
- 3. gezondheidsinformatie en behandelplannen te delen met patiënten en andere (zorg)professionals;
- 3.1 in samenspraak met de supervisor informatie over diagnose, prognose en behandel- en preventie(on)mogelijkheden op een betrokken en respectvolle wijzen te delen met de patiënt en diens naasten; en
- 3.1.1 aan te sluiten bij de hulpvraag en zorgbehoefte;
- 3.1.2 te controleren of de informatie wordt begrepen;
- 3.1.3 indien nodig de informatie te delen met andere (zorg) professionals.
- 3.2 in overleg met de supervisor patiënten, hun naasten en betrokken collega-(zorg)professionals te informeren over schadelijke incidenten ten aanzien van de patiëntveiligheid.
- 4. patiënten en hun naasten te betrekken in het opstellen van behandelplannen die aansluiten bij hun wensen en doelen;
- 4.1 de patiënt en diens naasten te ondersteunen bij het nemen van weloverwogen beslissingen ten aanzien van hun gezondheid, levenskwaliteit en hun behandelplan (gezamenlijke besluitvorming);
- 4.1.1 cultuursensitief en niet-oordelend te communiceren en adequaat om te gaan met diversiteit;
- 4.1.2 geen enkele groep uit te sluiten op basis van (culturele, maatschappelijke of religieuze) achtergrond, sekse, seksuele geaardheid of welke kenmerken dan ook;
- 4.1.3 rekening te houden met de contextuele factoren, inclusief werk (zie 1.4);
- 4.1.4 patiënten en hun naasten te verwijzen naar betrouwbare informatiebronnen die kunnen ondersteunen bij de verbetering van de gezondheid;
- 4.1.5 patiënten en hun naasten waar mogelijk te adviseren en te motiveren met inachtneming van de wensen ten aanzien van de kwaliteit van leven.
- 5. medische informatie op adequate wijze te documenteren en daarmee de besluitvorming, veiligheid en vertrouwelijkheid en privacy optimaal te ondersteunen;
- 5.1 op een accurate, respectvolle en toegankelijke wijze – rekening houdend met de wettelijke vereisten – medische informatie verkregen uit direct of indirect patiëntencontact te verwerken in het medisch dossier;
- 5.2 medische informatie met de patiënt, diens naasten en betrokken (zorg) professionals te delen, na toestemming en met respect voor de privacy van de patiënt;
- 5.3 adequaat en efficiënt gebruik te maken van medische informatiesystemen (m.n. elektronische patiëntendossiers) en hier mogelijkheden, aandachtspunten en grenzen van te benoemen.
- 1. in onderwijssituaties effectief samen te werken;
- 1.1 een relatie op te bouwen en te onderhouden;
- 1.2 samen te werken met andere studenten en zorgprofessionals;
- 1.3 in gesimuleerde beroepssituaties of eenvoudige praktijksetting onder supervisie gezamenlijke besluitvormingsgesprekken te voeren die recht doen aan de voorkeuren, doelen en waarden van de patiënt.
- 2. in onderwijssituaties en gesimuleerde beroepssituaties of in een eenvoudige praktijksetting goede relaties te onderhouden door begrip voor elkaar te hebben en meningsverschillen en conflicten op te lossen;
- 2.1 respectvol met elkaar om te gaan;
- 2.2 hulp te vragen om goede samenwerkingsvaardigheden te ontwikkelen.
- 3. in gesimuleerde beroepssituaties of eenvoudige praktijksetting zorg of andere taken adequaat over te dragen om de continuïteit en veiligheid te waarborgen;
- 3.1 –;
- 3.2 –;
- 3.3 een mondeling of schriftelijke overdracht te kunnen verzorgen.
- 1. effectief samen te werken met andere (zorg)professionals en patiënten en hun naasten;
- 1.1 een relatie op te bouwen en te onderhouden om in staat te zijn gezamenlijk zorg te leveren of te voorkomen dat ziekte optreedt;
- 1.2 samen te werken met andere (zorg)professionals om continuïteit van passende, kwalitatief hoogwaardige en doelmatige (preventieve) zorg te realiseren;
- 1.3 samen met de patiënt en diens naasten en met andere (zorg) professionals te komen tot besluitvorming die recht doet aan de voorkeuren, doelen en waarden van de patiënt (gezamenlijke besluitvorming).
- 2. goede professionele relaties te onderhouden om samen goede zorg te kunnen leveren door begrip voor elkaar te hebben en meningsverschillen en conflicten op te lossen;
- 2.1 respectvol om te gaan met collega (zorg)professionals, patiënten en hun naasten; en
- 2.1.1 bij te dragen aan goede samenwerking in (interprofessionele) teams;
- 2.1.2 de potentiële meerwaarde van het groepsproces te onderkennen.
- 2.2 barrières en kansen voor goede samenwerking te herkennen en hulp te vragen om de samenwerking te verbeteren.
- 3. de zorg voor een patiënt of andere taken adequaat en tijdig over te dragen aan collega (zorg)professionals om continuïteit en veiligheid te waarborgen;
- 3.1 goed op de hoogte te zijn van de (grenzen van) de eigen rol en die van andere zorgprofessionals en zorg verlenende instanties en op tijd de eigen grenzen aan te geven;
- 3.2 in overleg met de supervisor te bepalen wanneer zorg of een taak moet worden overgedragen aan een andere (zorg)professional;
- 3.3 op adequate wijze een mondelinge of schriftelijke overdracht te verzorgen aan een andere (zorg)professional waarbij continuïteit en veiligheid zijn gewaarborgd.
- 1. een lerende houding aan te nemen en persoonlijk leiderschap te ontwikkelen;
- 1.1 zich lerend op te stellen om zelfreflectie en zelfinzicht te ontwikkelen;
- 1.2 prioriteiten te stellen in studie en privé om de balans te bewaken ter bevordering van de eigen, duurzame inzetbaarheid.
- 2. verantwoordelijkheid te nemen voor de ontwikkeling tot medisch professional;
- 2.1 te reflecteren op de eigen professionele ontwikkeling;
- 2.2 samen te werken met collega’s;
- 2.3 op een veilige manier feedback te geven en te vragen en belangrijke zaken met elkaar te bespreken.
- 3. in gesimuleerde beroepssituaties of eenvoudige praktijksetting bij te dragen aan optimale zorgverlening; en daarbij
- 3.1 –;
- 3.2 –;
- 3.3 adequaat om te gaan met relevante informatietechnologie.
- 4. globale kennis te hebben over beschikbare middelen voor de financiering van de gezondheidszorg.
- 1. persoonlijk leiderschap te tonen en een lerende houding aan te nemen gedurende de hele loopbaan;
- 1.1 zelfreflectie en zelfinzicht te tonen, mede in relatie tot anderen met wie hij/zij samenwerkt en tot de processen waar hij/zij mee te maken krijgt; en
- 1.1.1 op basis hiervan persoonlijke, educatieve en professionele doelen te stellen en deze gedurende de opleiding en loopbaan periodiek bij te stellen;
- 1.1.2 door verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen handelen en als rolmodel te fungeren voor anderen (voorbeeldgedrag).
- 1.2 time-managementvaardigheden te ontwikkelen;
- 1.2.1 onder tijdsdruk kwalitatief en kwantitatief goed werk af te leveren;
- 1.2.2 prioriteiten te stellen om een goede balans tussen werk en privé te behouden ter bevordering van de eigen, duurzame inzetbaarheid.
- 2. leiderschap te tonen tijdens de medische beroepsuitoefening;
- 2.1 initiatief te nemen om de persoonlijke praktijk te verbeteren door een probleem te evalueren, prioriteiten te stellen, een plan uit te voeren en de resultaten te analyseren;
- 2.1.1 op het eigen medisch handelen te reflecteren en de verantwoordelijkheid nemen hiernaar te handelen.
- 2.2 samen te werken met collega’s en initiatief te nemen en anderen te ondersteunen bij verander- en verbeterprocessen om de kwaliteit van zorg te verbeteren;
- 2.3 op een veilige manier feedback te geven en te vragen en belangrijke zaken met elkaar te bespreken (intervisie);
- 2.4 een eigen standpunt te kiezen, te twijfelen, de eigen grenzen aan te geven (bewust onbekwaam) en daarop in actie te komen.
- 3. bij te dragen aan de verbetering van zorgverlening in teams, organisaties en systemen;
- 3.1 in overleg met de supervisor bij te dragen aan kwaliteitsverbeteringsprojecten op de werkplek;
- 3.2 kritische situaties en veiligheidsrisico’s te onderkennen en te bespreken met de supervisor; en
- 3.2.1 het eigen handelen te analyseren en hiervan te leren;
- 3.2.2 open te staan voor feedback;
- 3.2.3 een luisterende houding te tonen;
- 3.2.4 en daarbij rekening te houden met (de capaciteiten van) de teamleden.
- 3.3 relevante informatietechnologie te gebruiken voor medische zorgtoepassing;
- 3.3.1 te kunnen omgaan met grote hoeveelheden aan informatie;
- 3.3.2 deze informatie te kunnen duiden en uitleggen aan de patiënt;
- 3.3.3 hulp te vragen van de supervisor en/of samen te werken met andere (zorg)professionals om effectief gebruik te kunnen maken van informatietechnologie.
- 4. bij te dragen aan doelmatige inzet van de beschikbare middelen voor de gezondheidszorg;
- 4.1 in overleg met de supervisor te streven naar een optimale balans tussen kosten, werkzaamheid en waarde van middelen en diensten; en
- 4.1.1 hierin ethische afwegingen te maken.
- 4.2 in samenwerking met collega’s en de supervisor te streven naar optimale, longitudinale zorg voor individuele patiënten en/of de populatie, rekening houdend met de waarde hiervan voor de patiënt(en);
- 4.2.1 door inzet van kennis van de structuur, werking en financiering van het Nederlandse gezondheidszorgsysteem;
- 4.2.2 door adequaat gebruik te maken van de beschikbare technologische ontwikkelingen.
- 1. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting aspecten in kaart te brengen betreffende ziektepreventie en passende zorg voor de patiënt, die recht doen aan de behoeften van de individuele patiënt in diens context;
- 1.1 gezondheidsbevordering en ziektepreventie onderwerp van gesprek te maken met patiënten;
- 1.2 te bepalen welke determinanten van gezondheid en ziekte bijdragen aan de (ervaren) gezondheid;
- 1.3 –.
- 2. in een gesimuleerde beroepssituatie of eenvoudige praktijksetting gezondheidsbehoeften te identificeren in een patiëntengroep of populatie; en daarbij
- 2.1 determinanten van gezondheid en ziekte te identificeren;
- 2.2 risicopopulaties te herkennen.
- 3. in onderwijssituaties zich een mening te vormen over maatschappelijke thema’s die worden bediscussieerd.
- 1. een bijdrage te leveren aan ziektepreventie en passende zorg voor de patiënt, die recht doet aan de behoeften van de individuele patiënt in diens context;
- 1.1 gezondheidsbevordering en ziektepreventie een standaard onderdeel te maken van consulten met patiënten;
- 1.2 bij een individuele patiënt te bepalen welke determinanten van gezondheid en ziekte bijdragen aan de (ervaren) gezondheid en hoe deze op elkaar inspelen; en
- 1.2.1 samen met de patiënt een plan op te stellen om de gezondheid te verbeteren of ziekte te voorkomen.
- 1.3 ervoor te zorgen dat patiënten toegang krijgen tot de juiste zorg; en
- 1.3.1 gezond gedrag te bevorderen en de patiënt hierbij handvatten aan te reiken om de benodigde vaardigheden te ontwikkelen en veerkracht en welbevinden te bevorderen (empowerment);
- 1.3.2 obstakels voor het verkrijgen van de juiste zorg te identificeren;
- 1.3.3 goed op de hoogte te zijn van preventiemogelijkheden vanuit andere zorgprofessies en hier adequaat gebruik van te maken.
- 2. gezondheidsbehoeften in een patiëntengroep of populatie te identificeren en plannen op te stellen voor gezondheidsbevordering;
- 2.1 samen met de supervisor voor de populatie waaraan zorg wordt verleend determinanten van gezondheid en ziekte te identificeren; en
- 2.1.1 plannen op te stellen om de praktijk van preventie- en zorgverlening aan te passen;
- 2.1.2 gezondheidsverschillen te helpen verkleinen.
- 2.2 samen met de supervisor risicopopulaties te identificeren; en
- 2.2.1 plannen op te stellen om gezondheid te verbeteren of ziekte te voorkomen in de risicopopulaties;
- 2.2.2 deze plannen bespreekbaar te maken met beleidsmakers in de zorg.