Art. 9 Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997, Bedienbaarheid

Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997

9.1. De stemmachine is zodanig ingericht, dat de kiezer met behulp van de stemmachine alleen stemhandelingen kan verrichten.

9.2. De handelingen die de kiezer moet verrichten met behulp van de stemmachine, moeten voor de kiezer een logische volgorde hebben en moeten eenvoudig te begrijpen zijn.

9.3. Het verrichten van een bedieningshandeling door het stembureau of de kiezer leidt binnen één seconde tot een zichtbaar, hoorbaar of voelbaar terugkoppelingssignaal.

9.4. Indien de kiezer met behulp van knoppen of toetsen op de stemmachine een stem dient uit te brengen gelden ten aanzien van deze knoppen of toetsen de volgende eisen:

– minimale afmeting: vierkant 10 x 10 (mm), rond 10 (mm);

– maximale bedieningskracht knoppen voor selectie kandidaat: 4 (N);

– maximale verplaatsing bij indrukken van de knoppen voor selectie kandidaat: 6 (mm);

– minimale verplaatsing bij indrukken van de knoppen: 0 (mm).

9.5. Indien de kiezer met behulp van een lichtpen op de stemmachine een stem dient uit te brengen, gelden de volgende eisen:

– minimale afmeting van de lichtpen: lengte: 120-180 (mm), diameter 7-20 (mm);

– vlak voor en tijdens het aanstippen met de lichtpen van het beeldscherm van de stemmachine is het voor de kiezer duidelijk te volgen waarop de lichtpen gericht is;

– de lichtpen functioneert goed wanneer deze onder een hoek van 0 tot ten minste 30 graden ten opzichte van de orthogonaal op het beeldscherm wordt geplaatst.

9.6. Indien de kiezer een magneetkaart dient te gebruiken voor de vrijgave van de stemmachine, dan kan deze op eenvoudige wijze in de kaartlezer worden ingevoerd.