Art. 5 Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997, Voorbereiding voor de stemming

Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997

5.1. Een stemmachine kan niet voor de stemming worden gebruikt dan nadat de stemmachine achtereenvolgens op gebruikersvriendelijke wijze de volgende handelingen heeft verricht of ondersteund:

– het tonen van een bewijs dat het stemgeheugen leeg is;

– het controleren of de stemmachine correct functioneert;

– het vrijgeven van de stemmachine voor het uitbrengen van de stemmen.

5.2. De vrijgave van de stemmachine voor het uitbrengen van de stemmen en de blokkering van de stemmachine hiervoor kan uitsluitend door middel van een fysieke sleutel geschieden. Deze sleutel is een andere sleutel dan de sleutel bedoeld in 3.2. Tijdens de stemming is de sleutel in de stemmachine gestoken. Het uit de stemmachine nemen van de sleutel leidt tot een blokkering voor het uitbrengen van stemmen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen