Bijlage 2 Regeling onderwerpen centraal examen 'oude stijl' geschiedenis en staatsinrichting 2000 en stofomschrijving 1999 en 2000: een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen?
Nederland 1880-1919 Op het breukvlak van twee eeuwen mavo en vbo De titel die de commissie meekreeg bij haar opdracht een stofomschrijving te maken voor het Centraal (Schriftelijk) Eindexamen Geschiedenis en Staatsinrichting 1999 en 2000, luidde: 'Een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen? Nederland 1880-1919. Op het breukvlak van twee eeuwen'. De keuze van de titel komt voort uit het naderen van de aanstaande eeuwwisseling. Bij het uitwerken van de titel in een hoofdvraag kan de eigen tijd dan ook niet ontbreken. De commissie heeft de volgende hoofdvragen als uitgangspunt genomen: 'In hoeverre vonden er belangrijke veranderingen plaats in de periode 1880-1919 op de gebieden van emancipatie van vrouwen, arbeiders en confessionele groepen? Hoe zijn die veranderingen te verklaren en hoe is het in onze eigen tijd met die veranderingen gesteld?' De beschikbare hoeveelheid lestijd noodzaakt tot keuzes. Daarbij is voor samenhangende aspecten gekozen die zowel voor de betrokken periode als voor onze eigen tijd betekenis hebben. Emancipatiebewegingen hebben een belangrijke rol gespeeld bij het totstandkomen van maatschappelijke veranderingen op de gebieden van onderwijs en arbeid, huwelijks- en zedelijkheidswetgeving en kiesrecht. Aan het eind van de 20ste eeuw zijn deze onderwerpen opnieuw actueel geworden, nu in een andere historische context. De stofomschrijving wordt ingeleid door een historisch kader waarmee wordt beoogd de leerlingen zicht te geven op: Bij het uitwerken van het thema's is ervoor gekozen bij de subthema's steeds van dezelfde deelvragen uit te gaan. Geschiedenis gaat over mensen die het over veel oneens waren en er wordt over geschreven door historici die hun vak zien als een discussie zonder einde. Als gevolg daarvan zijn structuurbegrippen als interpretatie en standplaatsgebondenheid voor het schoolvak geschiedenis en staatsinrichting essentieel. Dit wezenlijke onderdeel van geschiedenis biedt ook zicht op een belangrijke factor in het huidige informatieti
- • de situatie in Nederland rond 1880;
- • aspecten en ontwikkelingen die niet rechtstreeks uit de gestelde vragen voortvloeien maar die wel kunnen bijdragen aan een beter begrip van de inhoud van het thema.
- • het kiesrecht werd telkens uitgebreid, maar alleen voor mannen;
- • de mogelijkheden tot scholing, mede door de invoering van de leerplicht in 1901, breidden zich uit, maar hier profiteerden jongens veel meer van dan meisjes;
- • buitenlandse emancipatiebewegingen inspireerden Nederlandse feministen.
- • Vrouwen organiseerden tentoonstellingen, zoals de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid naar aanleiding van de kroning van Wilhelmina in 1898.
- • Zij waren actief op congressen, bijvoorbeeld het Nationaal Congres tegen de Prostitutie (1889).
- • Zij gaven hun ideeën weer in tijdschriften en andere publicaties.
- • Zij hielden spreekbeurten, organiseerden petities en betogingen.
- • Bij alle groepen in de samenleving bleef de lagere school meestal het eindonderwijs voor meisjes.
- • De deelname van vrouwen aan arbeid buitenshuis veranderde weinig.
- • De meeste vrouwen zorgden nog steeds voor het huishouden en de kinderen.
- • Het aandeel van de vrouwen op de arbeidsmarkt bleef gelijk en ook het sterke onderscheid tussen vrouwen- en mannenberoepen bleef bestaan.
- • De verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen verminderden nauwelijks.
- • Gehuwde vrouwen bleven handelingsonbekwaam.
- • Politieke functies werden vrijwel uitsluitend door mannen bekleed.
- • Het overgrote deel van de samenleving bleef overtuigd van verschillen in aanleg en bestemming tussen mannen en vrouwen.
- • Een andere verdeling van betaald werk tussen mannen en vrouwen, en een gelijke beloning, zou betekenen dat het onderscheid tussen kostwinners en huisvrouwen moest verdwijnen. Ook dit streed tegen de ideeën over de taken van mannen en vrouwen in het 'moderne gezin'.
- • De eisen die feministen stelden, maakten een ommekeer nodig in de ideeën over de verhoudingen tussen de seksen, waarbij ook het recht diende te worden aangepast.
- • De Arbeidswet van 1889 verbood nachtarbeid van vrouwen en jeugdigen. In de Tweede Kamer stemde alleen Domela Nieuwenhuis tegen de wet, omdat deze volgens hem niet ver genoeg ging. Later protesteerden feministen tegen nadere invullingen van deze raamwet; zij eisten een gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
- • Lange tijd zagen de historici deze wet als de eerste bemoeienis van de overheid met arbeidsomstandigheden van volwassenen. De laatste jaren wordt door historici naar voren gebracht dat deze wet niet bedoeld was om in te grijpen in arbeidsomstandigheden, maar om zich te bemoeien met de taakverdeling tussen mannen en vrouwen binnen het gezin. Arbeidsters moesten voldoende tijd en energie overhouden voor hun gezin en voor het baren van gezonde kinderen.
- • de lonen waren laag door een groot aanbod van arbeidskrachten;
- • kinderen en vrouwen waren gedwongen mee te werken om het gezinsinkomen aan te vullen, zelfs in nachtelijke uren;
- • de werktijden van de arbeiders waren lang;
- • de wetgeving ter bescherming van de arbeiders ontbrak vrijwel geheel;
- • gevaarlijke omstandigheden in fabrieken leidden tot veel ongelukken.
- • de huisvesting van arbeiders was minimaal;
- • de gezondheid van de arbeiders was slecht.
- • De positie van geschoolde handwerkslieden verslechterde door het toenemen van fabrieksarbeid. In de fabrieken konden producten goedkoper worden vervaardigd.
- • De overheid en de particuliere organisaties kwamen onvoldoende voor de belangen van werknemers op. Daarom leek voor arbeiders verbetering van hun positie alleen mogelijk door het stichten van eigen organisaties.
- • De eerste vakbonden ontstonden onder geschoolde handwerkslieden die werkloos dreigden te worden.
- • De organisaties voor emancipatie van de arbeiders kwamen tot stand in een samenleving die aan het verzuilen was.
- • De liberalen wilden conflicten oplossen door onderhandelingen.
- • Patrimonium, onder leiding van de geschoolde bierbrouwersknecht Klaas Kater, was eerst voor overleg en samenwerking met werkgevers, maar aanvaardde later stakingen als middel. De protestants-christelijken kregen daarnaast hun eigen politieke partijen (ARP en CHU).
- • De rooms-katholieken kozen na langdurige interne discussies voor vakorganisaties volgens de ideeën van de priester Alfons Ariëns. Ook een R.K. politieke partij kwam relatief laat tot stand.
- • De SDB onder Domela Niewenhuis volgde eerst de parlementaire weg. Hij werd lid van de Tweede Kamer voor een kiesdistrict in Friesland waar de problemen van de landarbeiders groot waren. Na een voor hem teleurstellend kamerlidmaatschap gingen hij en de SDB de antiparlementaire weg op. De sociaal-democraten die het hier niet mee eens waren, richtten vervolgens de SDAP op. Zij waren in meerderheid voor legale acties. Hun vakorganisaties behartigden de belangen van de arbeiders door onderhandelingen, stakingen, petities en demonstraties.
- • Het geschreven woord (kranten, brochures, pamfletten) speelde naast het gebruik van politieke prenten en posters en het zingen van (strijd)liederen bij alle bewegingen een belangrijke rol.
- • De lonen stegen (in het algemeen).
- • De organisatiegraad steeg.
- • Naar voorbeeld van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond werden de vakbonden steeds meer geleid door betaalde bestuurders.
- • Het kiesrecht werd sterk uitgebreid.
- • De overheid ging zich veel meer bemoeien met de werk- en leefomstandigheden van de lagere klassen:
- a. Op centraal niveau werden parlementaire enquêtes gehouden om knelpunten te onderzoeken op het gebied van arbeid, veiligheid en stakingen.
- b. De overheid ging om de schadelijke effecten van de werkomgeving op de gezondheid van de arbeiders te voorkomen wetten maken. Daartoe kwamen de arbeidswet, de veiligheidswet tot stand.
- c. De overheid stelde een arbeidsinspectie in.
- d. Wetten beoogden soms ook mensen te beschermen die in een, niet aan hen te wijten, nadelige positie waren geraakt. Hierbij ging het om sociale voorzieningen zoals de ziektewet.
- e. De overheid werd door de vakbeweging ingeschakeld bij cao's.
- f. Met de woningwet van 1901 gaf de overheid een aanzet tot verbetering van de woonomstandigheden van arbeiders.
- g. Op gemeentelijk niveau gingen vooral de grote steden voorop lopen in de zorg voor de verbetering van de leefomstandigheden van de arbeiders, bijvoorbeeld op het gebied van de nutsvoorzieningen (gas, water, elektriciteit) en op het terrein van de volkshuisvesting.
- • Door de stijging van de welvaart viel meer te verdelen, ook onder de arbeiders.
- • Geleidelijk besefte de overheid dat er een sociale kwestie bestond en dat zij een bijdrage aan de oplossing moest leveren.
- • Het merendeel van de arbeiders bleef een groep met relatief weinig inkomsten.
- • Acties bleven steeds noodzakelijk.
- • De arbeiders bleven in het parlement ondervertegenwoordigd.
- • De organisatiegraad van de arbeiders bleef laag.
- • De positie van laaggeschoolden bleef zwak doordat deze groep bleef groeien.
- • De vakbeweging was sterk verdeeld door de verzuiling en kon daardoor geen vuist maken.
- • Domela Nieuwenhuis was in zijn tijd één van de meest omstreden Nederlanders. Hij werd zowel verguisd als verheerlijkt onder de socialisten, genegeerd en op den duur toch ook min of meer gewaardeerd door zijn tegenstanders, de confessionelen en de liberalen.
- • Ook later bleven de meningen over hem verdeeld.
- • De orthodoxe protestants-christelijken voelden zich achtergesteld binnen de Hervormde Kerk, omdat er door het benoemingsbeleid van predikanten bijna geen orthodoxe predikanten werden aangesteld. Voor hun ideeën was binnen deze kerk weinig ruimte. Zij waren rond 1880 op weg een zuil te worden: ze hadden toen al een eigen dagblad, een politieke partij, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en een hogeschool. De leider van deze protestants-christelijken was de predikant Abraham Kuyper.
- • Van de vorming van een rooms-katholieke zuil was rond 1880 nog geen sprake. In deze groep ontvingen de kinderen, vergeleken bij de protestants-christelijken, minder onderwijs, omdat ze vaker moesten meehelpen om geld te verdienen in het ouderlijk gezin. Vooral boven de grote rivieren bevonden katholieken zich in een achtergestelde positie. Daardoor beschikten zij over minder financiële middelen voor een goede armenzorg en voldoende onderwijs dan de leden van de Hervormde Kerk.
- • Rond 1880 woedde de schoolstrijd: de confessionelen wilden de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs ten opzichte van het openbaar onderwijs. Hun tegenstanders waren de liberalen en de socialisten.
- • Het besef groeide onder de orthodoxe protestants-christelijken en de rooms-katholieken dat aan hun achterstand iets moest en kon worden gedaan.
- • Beide geloofsgroepen kozen voor organisaties met leden uitsluitend uit eigen kring.
- • Aan protestants-christelijke zijde: vakbonden als Patrimonium, politieke partijen als de ARP en de CHU.
- • Aan katholieke zijde: de Algemeene Bond van Kiesverenigingen in Nederland. Deze organisaties beoogden dezelfde doeleinden, bijvoorbeeld:
- • IJveren voor uitbreiding van het kiesrecht, omdat de confessionele groepen onder de niet-kiesgerechtigde bevolking een grotere aanhang hadden.
- • Benadrukken en uitbouwen van de eigen identiteit.
- • Bevordering van een eigen op levensbeschouwing gebaseerd onderwijs.
- • Voor alle belangrijke groepen is het moderne gezin het fundament van de samenleving. Maar de confessionelen legden hier meer nadruk op dan sociaal-democraten en liberalen, en zij wilden hiervoor ook wettelijke regelingen maken. Voor hen waren seksualiteit en huwelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden.
- • Het - eind 19de eeuw gegroeide - besef dat levensbeschouwing zich niet tot één gebied (zoals het kerkelijk leven) moest beperken en dat dit op verschillende maatschappelijke gebieden naar buiten diende te komen.
- • Het gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van de eigen groep noodzaakte tot een actieve rol op vele terreinen.
- • De vrees dat de industrialisatie met voortgaande verstedelijking zou leiden tot ontkerkelijking en verlies van levensbeschouwelijke waarden, stimuleerde de verzuiling: daarin zagen de confessionelen een garantie tegen de ongewenste gevolgen van de modernisering.
- • De vrees dat arbeiders bij uitbreiding van het kiesrecht op de socialisten zouden stemmen.
- • het oprichten van organisaties en politieke partijen, het organiseren van petities, demonstraties en stakingen.
- • het vormen van personele unies in de leiding van de verschillende verzuilde organisaties, zoals tussen politieke partijen en vakbonden.
- • Orthodoxe protestants-christelijken scheidden zich van de Hervormde Kerk af en stichtten (in 1885-1886) de Gereformeerde Kerk.
- • Confessionele kabinetten ontstonden vanaf 1888.
- • De verzuiling van het onderwijs werd verder uitgebreid en bevestigd.
- • Na zware politieke strijd werd het bijzonder onderwijs gelijkgesteld aan het openbare, in de pacificatie van 1917. Daarmee was de financiering van de bijzondere school dezelfde als die van de openbare school.
- • Het leven van protestants-christelijken en katholieken ging zich vrijwel 'van de wieg tot het graf' binnen de eigen zuil afspelen.
- • Door het stichten van de Gereformeerde Kerk konden de orthodoxe protestants-christelijken hun eigen predikanten benoemen.
- • Door de uitbreiding van het kiesrecht kregen de confessionelen meer zetels in de Kamer. Zij hadden meer aanhang onder de lagere bevolkingsgroepen dan de liberalen. Zo werden confessionele kabinetten mogelijk.
- • De verzuiling werd na de grondwetsherziening van 1917 verder in de hand gewerkt door de financiële gelijkstelling in het onderwijs en het algemeen kiesrecht.
- • Ondanks de invoering van de leerplichtwet verdween de achterstand in het onderwijs bij rooms-katholieken niet.
- • Tussen verschillende levensbeschouwelijke groepen bleef wantrouwen bestaan.
- • Confessionelen handhaafden hun weerzin tegen de denkbeelden van sociaal-democraten nog steeds.
- • Armoede in de rooms-katholieke gezinnen noodzaakte veel kinderen uit deze groep direct na de leerplichtige leeftijd te gaan werken.
- • Het wantrouwen tussen protestanten en rooms-katholieken berustte op eeuwenoude tegenstellingen.
- • De verdeeldheid tussen protestanten onderling verzwakte ook de daadkrachtige realisering van de ideeën van deze groep.
- • Confessionelen verwierpen de denkbeelden van sociaal-democraten over een klasseloze maatschappij en over religie als 'opium van het volk'.
- • J.C.H. Blom en E. Lamberts (ed.), Geschiedenis van de Nederlanden (Rijswijk z.j.)
- • H. Knippenberg en B. de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800 (Nijmegen 1988)
- • J.J. Woltjer, Recent verleden. Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 1992)
- • A.J.W. Camijn, Een eeuw vol bedrijvigheid. De industrialisatie van Nederland, 1814-1914 (Utrecht-Antwerpen 1987)
- • H. te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef. Liberalisme in Nederland, 1870-1918 (Groningen 1992)
- • M. Borkus, e.a., Vrouwenstemmen - 100 jaar vrouwenbelangen, 75 jaar vrouwenkiesrecht (Zutphen 1994)
- • E. Brunt (red.), Mevrouw, ik groet u: Necrologieën van vrouwen (Amsterdam 1987)
- • D. Damsma, Het Hollandse huisgezin (1560-heden) (Utrecht-Antwerpen 1993)
- • C. van Eyl, Het werkzame verschil - vrouwen in de slag om arbeid 1898-1940 (Hilversum 1994)
- • U. Jansz, Denken over sekse in de eerste feministische golf (Amsterdam1990)
- • P. Koenders, Tussen christelijk Reveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid in Nederland, met nadruk op de repressie van homoseksualiteit (Amsterdam 1996)
- • H. van Setten, In de schoot van het gezin. Opvoeding in Nederlandse gezinnen in de twintigste eeuw (Nijmegen 1986)
- • T. Zwaan (red.), Familie, huwelijk en gezin in West-Europa. Van middeleeuwen tot moderne tijd (Amsterdam 1993)
- • I. Smit en A. Weert (red.), Aletta Jacobs, het hoogste streven - interviews en achtergronden (Groningen 1995)
- • G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging (Nijmegen 1975)
- • A. de Regt, Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Ontwikkelingen in Nederland 1870-1940 (Meppel-Amsterdam 1984)
- • A. de Jong, Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Den Haag 1966
- • J. Romein, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de apostel der arbeiders, in: Erflaters van onze beschaving (Amsterdam 1973)
- • J. Frieswijk e. (red.), Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de apostel der arbeiders (Leeuwarden 1988).
- • J.C.H. Blom en C.J. Misset (ed.), Broeders sluit U aan. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Den Haag 1985)
- • S. Stuurman, Verzuiling, kapitalisme en patriarchaat: aspecten van de ontwikkeling van de moderne staat in Nederland (Nijmegen 1983)
- • M. Bosch, A. Kloosterman, Lieve Dr. Jacobs. Brieven uit de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht 1902-1924 (Amsterdam 1985)
- • D.H. Couvee, Anje H. Boswijk, Vrouwen vooruit! De weg naar gelijke rechten (Den Haag 1962; Amsterdam 1985)
- • J. Giele (red.), Een kwaad leven - de arbeidsenquête van 1887 (Nijmegen 1981)
- • J. Giele, Arbeidersleven in Nederland 1850-1914 (Nijmegen 1979)
- • L.A. van Heijningen, Nederland honderd jaar geleden (Rijswijk 1988)
- • A. Jacobs, Herinneringen (Nijmegen 1978)
- • A. de Jong, Van christen tot anarchist en ander werk van F. Domela Nieuwenhuis (Bussum 1982)
- • A.F. Manning, Nederland rond 1900 (Amsterdam 1993)
- • R. Mulder, Verleden tijd - Nederland in de jaren 1900-1930 (Den llp 1991)
- • M. Schouten, De socialen zijn in aantocht (Amsterdam 1976)
- • K. van Zomeren, Een gegeven moment - interviews met mensen van 1900 (Amsterdam 1984)