Bijlage 1 Regeling onderwerpen centraal examen 'oude stijl' geschiedenis en staatsinrichting 2000 en stofomschrijving 1999 en 2000: een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen?
Nederland 1880-1919 Op het breukvlak van twee eeuwen vwo en havo De titel die de commissie meekreeg bij haar opdracht een stofomschrijving te maken voor het Centraal (Schriftelijk) Eindexamen Geschiedenis en Staatsinrichting 1999 en 2000, luidde: 'Een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen? Nederland 1880-1919. Op het breukvlak van twee eeuwen'. De keuze van de titel komt voort uit het naderen van de aanstaande eeuwwisseling. Bij het uitwerken van de titel in een hoofdvraag kan de eigen tijd dan ook niet ontbreken. De commissie heeft de volgende hoofdvragen als uitgangspunt genomen: 'In hoeverre vonden er belangrijke veranderingen plaats in de periode 1880-1919 op de gebieden van gezin, van emancipatie van vrouwen, arbeiders en confessionele groepen en van de overheidszorg? Hoe zijn die veranderingen te verklaren en hoe is het in onze eigen tijd met die veranderingen gesteld?' De beschikbare hoeveelheid lestijd noodzaakt tot keuzes. Daarbij is voor samenhangende aspecten gekozen die zowel voor de betrokken periode als voor onze eigen tijd betekenis hebben. Het gezin was toen en is nu een veelbesproken instituut. Rond 1900 begint het 'moderne' gezin voor een steeds groter deel van de bevolking gestalte te krijgen. In nauw verband daarmee staan de vrouwenemancipatie en discussies over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Emancipatiebewegingen hebben een belangrijke rol gespeeld bij het totstandkomen van maatschappelijke veranderingen op de gebieden van onderwijs en arbeid, huwelijks- en zedelijkheidswetgeving en kiesrecht. Eind vorige eeuw zijn de eerste fundamenten gelegd voor sociale overheidszorg, die pas na de Tweede Wereldoorlog tot volle ontwikkeling zou komen. Toen waren er discussies over wat moest worden overgelaten aan particulier initiatief en wat de taak van de overheid moest zijn. Aan het eind van de 20ste eeuw zijn deze vragen opnieuw actueel geworden, nu in een andere historische context. De stofomschrijving wordt ingeleid door een historisch kader waarm
- • de situatie in Nederland rond 1880;
- • aspecten en ontwikkelingen die niet rechtstreeks uit de gestelde vragen voortvloeien maar die wel kunnen bijdragen aan een beter begrip van de inhoud van het thema.
- • In Nederland namen huwelijk en gezin een belangrijke plaats in. Bijna 90% van alle volwassenen trad in het huwelijk. Getrouwd zijn betekende voor de meeste mensen rond 1880 de beste en meest geschikte levensvorm, een verbintenis voor het leven. Het moderne gezin werd het ideaal: met romantische liefde tussen de echtgenoten, grote zorg voor de kinderen en huiselijkheid. Maar dat ideaal kwam bijna alleen binnen het bereik van de burgerij. Kinderen konden aan het gezinsinkomen bijdragen en betekenden een voorziening voor de oude dag. Onder de arbeiders in de steden en op het platteland speelde een groot deel van het leven zich buitenshuis af. Ook hun vrouw en hun kinderen moesten vaak gaan werken om het inkomen van het gezin aan te vullen. Van huiselijkheid kwam onder hen weinig terecht. De leeftijd in Nederland bij eerste huwelijk was rond 1880 hoog: voor vrouwen 26,5 en voor mannen 28,5 jaar. Een gezin kon namelijk pas gesticht worden als men over de middelen beschikte om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Slechts weinig kinderen werden buiten het huwelijk geboren. Echtscheiden kwam rond 1880 heel weinig voor en was vrijwel alleen mogelijk in het geval van bewijsbaar overspel van één van de partijen.
- • Er kwamen veel onvolledige gezinnen voor omdat de sterfte in het kraambed en bij achtergestelde groepen, zoals arbeiders, hoog was. Bovendien stierf 1 op de 5 zuigelingen.
- • De huwelijksvruchtbaarheid was hoog, vooral bij rooms-katholieken en orthodoxe protestanten. Arbeiders hadden gemiddeld meer kinderen dan mensen uit hogere bevolkingsgroepen.
- • Het gezin was voor veel mensen niet alleen een consumptieve eenheid maar ook een productie-eenheid. Er bestond vaak een 'armoedecyclus': vooral als de kinderen klein waren of het huis hadden verlaten, leefden de ouders uit lagere bevolkingsgroepen nauwelijks boven het bestaansminimum.
- • De meeste kinderen gingen naar school, maar vervolgonderwijs was voor het merendeel een uitzondering.
- • De man was, ook volgens het huwelijksrecht, het hoofd van het gezin. Er was weinig bemoeienis met het gezinsleven van de kant van de overheid.
- • Particuliere instanties, zoals de kerken, sprongen alleen in als gezinnen onder het bestaansminimum dreigden te geraken.
- • Het moderne gezin kreeg een veel belangrijker plaats in de samenleving voor een steeds groter deel van de bevolking. Tussen man en vrouw ontstond een striktere rolverdeling, waarbij de man de kostwinner werd en de vrouw het gezin en het huishouden verzorgde. Kinderen kregen in het algemeen meer aandacht. Middengroepen gingen in een beschavingsoffensief hun ideeën over het moderne gezin verbreiden onder arbeiders.
- • De sterfte onder kraamvrouwen daalde waardoor minder onvolledige gezinnen voorkwamen. De sterfte daalde bij alle leeftijdsgroepen, ook bij zuigelingen.
- • De huwelijksvruchtbaarheid nam af, als gevolg van het toepassen van geboortebeperking, ook bij confessionele groepen en arbeiders.
- • Als gevolg van de toenemende welvaart hoefden gehuwde vrouwen en kinderen minder bij te dragen aan het gezinsinkomen. Er trad meer bestaanszekerheid en een verruiming van het uitgavenpatroon op.
- • De rechtspositie van vrouwen in het huwelijk verbeterde omdat de moeder op grond van de Kinderwetten (1901) in sommige gevallen de uitoefening van de ouderlijke macht kon krijgen. De overheid ging over tot wetgeving die haar in specifieke gevallen het recht gaf in te grijpen in het gezinsleven.
- • Ideeën over het belang van het gezin werden meer dan tevoren door kerkelijke functionarissen en overheid (door middel van wetgeving) verbreid.
- • Een deel van de gezinnen ging er, mede door de beschikbaarheid en de lage prijs van geboortebeperkende middelen, toe over hun kindertal te verminderen.
- • De sterfte daalde door een verbeterde hygiëne, veroorzaakt door riolering, afvoer van vuil en waterleiding. Daarnaast werd de medische zorg beter, vooral in de sfeer van de preventie (consultatiebureaus).
- • Door de stijgende lonen van mannen verminderde de noodzaak voor vrouwen en kinderen om buitenshuis te werken.
- • Met de invoering van de leerplicht (1901) werd de schoolgang nu praktisch algemeen. Door de oprichting van ambachtsscholen en huishoudscholen namen, ook voor arbeiderskinderen, de mogelijkheden op voortgezet onderwijs toe.
- • Mensen traden laat in het huwelijk: gemiddeld 26 jaar voor vrouwen en 28 jaar voor mannen in 1919.
- • Echtscheiden bleef zeldzaam, al nam het wel enigszins toe.
- • Rooms-katholieken, orthodoxe protestants-christelijken en arbeiders hadden nog steeds de hoogste huwelijksvruchtbaarheid.
- • Er werden ook in deze periode weinig kinderen buiten het huwelijk geboren.
- • Het gemiddeld aantal in gezinnen levende kinderen veranderde nauwelijks.
- • De man bleef het hoofd van het gezin.
- • In de meeste boerenhuishoudingen bleven de gezinsleden meewerken in het bedrijf.
- • De meeste boerenhuishoudingen kenmerkten zich door het dooreenlopen van huishoudelijk werk en bedrijfsarbeid; de bijdragen van elk gezinslid waren onmisbaar.
- • De grote materiële verschillen tussen gezinnen van ongeschoolde arbeiders en gezinnen uit hogere lagen van de bevolking beperkten de mogelijkheden tot veranderingen voor de eerstgenoemde gezinnen sterk.
- • De kerken traden op als hoedsters van oude waarden.
- • De mannen hadden de belangrijkste posities in de samenleving in handen en wilden in meerderheid hun bevoorrechte positie in het gezin niet zomaar prijsgeven.
- • De afnemende huwelijksvruchtbaarheid werd gecompenseerd door de daling van de kindersterfte.
- • de confessionelen waren tegen omdat de bond middelen tegen geboortebeperking verstrekte;
- • de sociaal-democraten waren eveneens tegen: in hun visie week de samenleving waarin de NMB paste af van de klasseloze maatschappij die zij zelf nastreefden;
- • liberalen uitten hun ongenoegen over het besluit omdat hierdoor de bevolkingsgroei zou kunnen afnemen. Maar de liberale minister Van Houten, die tot de goedkeuring besloot, zag evenals anderen in de gezinsplanning, waarvan de NMB voorstander was, een wapen tegen armoede.
- • Het merendeel van de meisjes volgde na de lagere school geen onderwijs. Een opleiding bestond slechts voor enkele beroepen van vrouwen, zoals onderwijzeressen en vroedvrouwen. Een klein deel van de meisjes uit de midden- en hogere klassen volgde middelbaar onderwijs. In uitzonderingsgevallen, zoals Aletta Jacobs, volgden zij ook hoger onderwijs.
- • Meisjes uit de lagere klasse werkten na hun schooltijd vaak buitenshuis tot hun huwelijk of tot de komst van het eerste kind, maar langer als de financiële nood groot was. Zij kwamen in de regel terecht in beroepen met het minste aanzien en de laagste scholingsgraad. Vrouwen verdienden met die werkzaamheden de helft tot twee derde van wat mannen ontvingen. Sommige vrouwen hadden de zorg voor een eigen bedrijf binnenshuis. In de midden- en hogere klassen verrichtten verreweg de meeste vrouwen geen betaald werk.
- • Van mannen werd op seksueel gebied veel meer getolereerd dan van vrouwen, de zogenaamde dubbele moraal. Het was verboden om vaders van buitenechtelijke kinderen op te sporen. Prostitutie zagen velen als onvermijdelijk omdat het voor mannen noodzakelijk was om hun geslachtsdrift te uiten: anders zouden zij zich aan 'eerbare vrouwen' vergrijpen. Prostituees werden als gevallen vrouwen beschouwd, evenals ongehuwde moeders, die immers ook buiten het huwelijk seksuele contacten hadden gehad. Vrouwen zouden, in tegenstelling tot mannen, zelf geen seksuele neigingen kennen.
- • Gehuwde vrouwen waren handelingsonbekwaam en hadden zelfs geen zeggenschap over het eigen vermogen. Zij hadden geen passief of actief kiesrecht en bekleedden ook geen openbare functies.
- • het kiesrecht werd telkens uitgebreid, maar alleen voor mannen;
- • de mogelijkheden tot scholing breidden zich uit, maar hier profiteerden jongens veel meer van dan meisjes;
- • buitenlandse emancipatiebewegingen inspireerden Nederlandse feministen.
- • De Nederlandse Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn (NVVZB), opgericht in 1884 door Marianne Klerck-Van Hogendorp, was de eerste politieke vrouwenorganisatie. Deze bond keerde zich oorspronkelijk tegen de dubbele moraal in de zedelijkheidswetgeving. Later keerde de Bond zich ook tegen de handel in vrouwen en tegen het verbod op het onderzoek naar het vaderschap.
- • De Vrije Vrouwenvereeniging (VVV), waarin Wilhelmina Drucker een belangrijke rol speelde, was breder in haar doeleinden. De VVV wilde voor vrouwen alle rechten die zij tot dan toe nog niet hadden op het gebied van onderwijs, werk, huwelijksrecht en vrouwenkiesrecht.
- • De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) onder voorzitterschap van Aletta Jacobs, was de grootste organisatie die zich vooral op het verwerven van het kiesrecht concentreerde.
- • Vrijwel alle vrouwen en organisaties gebruikten zowel argumenten die betrekking hadden op de specifieke kwaliteiten, de eigen aard en bestemming van vrouwen (de zogenaamde verschilargumenten) als argumenten die berustten op de gelijkheid met mannen (de gelijkheidsargumenten). De Vrije Vrouwenvereeniging maakte vooral gebruik van gelijkheidsargumenten. De Nederlandse Vrouwenbond ter Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn zocht het meer in argumenten die waren gebaseerd op de speciale positie en geaardheid van vrouwen.
- • Over kiesrecht bestond verdeeldheid: sommige feministen meenden dat vrouwen eerst meer ontwikkeling moesten hebben en pas daarna kiesrecht konden krijgen.
- • Vrouwen organiseerden tentoonstellingen, zoals de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid naar aanleiding van de kroning van Wilhelmina in 1898.
- • Zij waren actief op congressen, bijvoorbeeld het Nationaal Congres tegen de Prostitutie (1889).
- • Zij gaven hun ideeën weer in periodieken en andere publicaties, zoals in de tendensroman Hilda van Suylenburg (1898) die aanleiding gaf tot veel debatten over de positie van vrouwen.
- • Zij hielden spreekbeurten, organiseerden petities en betogingen.
- • Meisjes mochten leren, voordat ze gingen trouwen. Vooral meisjes uit de betere kringen profiteerden van deze mogelijkheden. Zij gingen in toenemende mate voortgezet en soms ook hoger onderwijs volgen.
- • Beroepsarbeid werd nu ook voor ongehuwde vrouwen uit midden- en hogere groepen vanzelfsprekender. Kantoorwerk werd ook voor vrouwen toegankelijk, terwijl het aantal onderwijzeressen sterk steeg. Vrouwen kregen een betere bescherming tegen slechte arbeidsomstandigheden.
- • Vooral confessionelen richtten zich tegen de dubbele moraal: in sommige gemeenten kwam een bordeelverbod. Het verbod op het onderzoek naar het vaderschap van kinderen van ongehuwde moeders werd opgeheven. Ongehuwde moeders kregen de mogelijkheid de vader te laten betalen voor het onderhoud van zijn buiten het huwelijk geboren kind. Ongehuwde moeders en prostituees werden meer als 'ociaal probleem' gezien; er kwam nu hulp voor hen in instellingen.
- • Vrouwen kregen recht op het eigen verdiende geld volgens de Wet op de arbeidsovereenkomst in 1907. De steun voor gelijke rechten voor vrouwen in de politiek nam toe door toekenning aan vrouwen van het passief (1917) en het actief kiesrecht (1919).
- • Feministen zoals Aletta Jacobs dienden als voorbeeld voor de gelijk- waardigheid tussen man en vrouw. Dit had mede tot gevolg dat meer meisjes langer onderwijs volgden.
- • De confessionele ideeën over zedelijkheid vonden gehoor bij een groeiend aantal anderen.
- • Het politieke klimaat (vooral de Eerste Wereldoorlog) droeg bij tot het verlenen van algemeen vrouwenkiesrecht.
- • Als gevolg van de industrialisatie was er meer werkgelegenheid ontstaan, ontstonden op beperkte schaal voor (vooral ongehuwde) vrouwen speciale beroepen.
- • De verbreiding van de ideeën over het moderne gezin brachten de gehuwde vrouw binnenshuis in een sterkere positie: Vooral de sociaal-democraten streefden naar hogere lonen voor mannen, omdat deze dan alleen kostwinner konden zijn. Liberalen stonden, met name op punten als echtscheiding, voorbehoedmiddelen en de positie van de vrouw tussen confessionelen en sociaal-democraten in.
- • Bij alle groepen in de samenleving bleef de lagere school meestal het eindonderwijs voor meisjes.
- • De meeste vrouwen zorgden nog steeds voor het huishouden en de kinderen.
- • Het aandeel van de vrouwen op de arbeidsmarkt bleef gelijk en ook het sterke onderscheid tussen vrouwen- en mannenberoepen bleef bestaan.
- • De verschillen in beloning tussen mannen en vrouwen verminderden nauwelijks.
- • Gehuwde vrouwen bleven handelingsonbekwaam.
- • Politieke functies werden vrijwel uitsluitend door mannen bekleed.
- • Het overgrote deel van de samenleving bleef overtuigd van verschillen in aanleg en bestemming tussen mannen en vrouwen.
- • Een andere verdeling van betaald werk tussen mannen en vrouwen, en een gelijke beloning, zou betekenen dat het onderscheid tussen kostwinners en huisvrouwen moest verdwijnen. Dit was in strijd met de ideeën over de taken van mannen en vrouwen in het 'moderne gezin'.
- • De eisen die feministen stelden, maakten een ommekeer nodig in de ideeën over de verhoudingen tussen de seksen, waarbij ook het recht diende te worden aangepast.
- • De Arbeidswet van 1889 verbood nachtarbeid van vrouwen en jeugdigen. In de Tweede Kamer stemde alleen Domela Nieuwenhuis tegen de wet, omdat deze volgens hem niet ver genoeg ging. Later protesteerden feministen tegen nadere invullingen van deze raamwet; zij eisten een gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
- • Lange tijd zagen de historici deze wet als de eerste bemoeienis van de overheid met arbeidsomstandigheden van volwassenen. De laatste jaren wordt door historici naar voren gebracht dat deze wet niet bedoeld was om in te grijpen in arbeidsomstandigheden, maar om zich te bemoeien met de taakverdeling tussen mannen en vrouwen binnen het gezin. Arbeidsters moesten voldoende tijd en energie overhouden voor hun gezin en voor het baren van gezonde kinderen.
- • de lonen waren laag door een groot aanbod van arbeidskrachten;
- • kinderen en vrouwen waren gedwongen mee te werken om het gezinsinkomen aan te vullen, zelfs in nachtelijke uren;
- • de werktijden van de arbeiders waren lang;
- • de huisvesting van arbeiders was minimaal;
- • de gezondheid van arbeiders was slecht;
- • wetgeving ter bescherming van de arbeiders ontbrak vrijwel geheel;
- • gevaarlijke omstandigheden in fabrieken leidden tot veel ongelukken;
- • de meeste arbeiders aanvaardden deze slechte positie: er waren weinig vakbonden en de organisatiegraad was laag.
- • De positie van geschoolde handwerkslieden verslechterde door het toenemen van fabrieksarbeid. In de fabrieken konden producten goedkoper worden vervaardigd.
- • De overheid en de particuliere organisaties kwamen onvoldoende voor de belangen van werknemers op. Daarom leek voor arbeiders verbetering van hun positie alleen mogelijk door het stichten van eigen organisaties.
- • De eerste vakbonden ontstonden onder geschoolde handwerkswerklieden die werkloos dreigden te worden.
- • De organisaties voor emancipatie van de arbeiders kwamen tot stand in een samenleving die aan het verzuilen was.
- • liberaal-neutrale als het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond (het ANWV). Protestants-christelijke als Patrimonium en later het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV);
- • sociaal-democratische als de Sociaal Democratische Bond (SDB) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV);
- • rooms-katholieke als de Rooms-Katholieke Volksbond.
- • De liberalen wilden conflicten oplossen door onderhandelingen.
- • Patrimonium, onder leiding van de geschoolde bierbrouwersknecht Klaas Kater, was eerst voor overleg en samenwerking met werkgevers, maar wees sinds het Christelijk Sociaal Congres stakingen niet meer af. De protestants-christelijken kregen daarnaast hun eigen politieke partijen (ARP en CHU).
- • Onder de rooms-katholieken ontstonden principiële tegenstellingen over de organisatievorm (standsorganisaties per bisdom of landelijke vakorganisaties) en over de doeleinden (de standsorganisaties streefden algemene belangen na en de vakorganisaties speciale vakbelangen). Uiteindelijk won het door de priester Alfons Ariëns voorgestane idee van de vakorganisatie.
- • In sommige gevallen ontstonden naast vakbonden ook met hen verwante politieke partijen, zoals naast Patrimonium de ARP en het NVV naast de SDAP.
- • De SDB onder Domela Nieuwenhuis volgde eerst de parlementaire weg. Hij werd lid van de Tweede Kamer voor Schoterland, een kiesdistrict in Friesland, waar de problemen van de landarbeiders groot waren. Na een voor hem teleurstellend verloop van zijn kamerlidmaatschap verloor hij zijn geloof in een parlementaire oplossing. Het kwam tot een afsplitsing waarbij de parlementair georiënteerden in de SDAP verder gingen. De SDB verloor daarna het grootste deel van haar aanhang. De SDAP'ers waren in meerderheid voor legale acties. Dat bleek bijvoorbeeld toen hun leider Troelstra in 1918 onverwacht en zonder succes tot revolutie opriep.
- • De arbeidersorganisaties behartigden hun belangen door onderhandelingen, stakingen, petities en demonstraties.
- • De emancipatiebewegingen van arbeiders werkten ook aan de ontwikkeling van hun leden door het stichten van instellingen voor culturele verheffing.
- • Het geschreven woord (kranten, brochures, pamfletten) speelde naast het gebruik van politieke prenten en affiches en het zingen van (strijd)liederen bij alle bewegingen een belangrijke rol.
- • De lonen stegen (in het algemeen).
- • De organisatiegraad nam toe.
- • Het kiesrecht werd sterk uitgebreid.
- • De overheid ging zich veel meer bemoeien met de werk- en leefomstandigheden van de lagere klassen:
- a. Op centraal niveau werden parlementaire enquêtes gehouden om knelpunten te onderzoeken op het gebied van arbeid, veiligheid en stakingen.
- b. De overheid ging om de schadelijke effecten van de werkomgeving op de gezondheid van de arbeiders te voorkomen wetten maken. Daartoe kwamen de arbeidswet, de veiligheidswet tot stand.
- c. De overheid stelde een arbeidsinspectie in.
- d. Wetten beoogden soms ook mensen te beschermen die in een, niet aan hen te wijten, nadelige positie waren geraakt. Hierbij ging het om sociale voorzieningen zoals de ziektewet.
- e. De overheid werd door de vakbeweging ingeschakeld bij cao's.
- f. Met de woningwet van 1901 gaf de overheid een aanzet tot verbetering van de woonomstandigheden van arbeiders.
- g. Op gemeentelijk niveau gingen vooral de grote steden voorop lopen in de zorg voor de verbetering van de leefomstandigheden van de arbeiders, bijvoorbeeld op het gebied van de nutsvoorzieningen (gas, water, elektriciteit) en op het terrein van de volkshuisvesting.
- • De professionalisering van vakbonden en centrales, kwam tot uiting in fulltime-bestuurders, hoge contributies en stakingskassen. Hierbij diende de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond onder leiding van Henri Polak als voorbeeld.
- • Vakbonden en vakcentrales werden geleidelijk als gesprekspartners in onderhandelingen over lonen en arbeidsomstandigheden aanvaard.
- • Arbeiders werden zich in toenemende mate bewust van hun ongelijkheid en daarmee groeide de strijdbaarheid onder een deel van hen. Die toegenomen bewustwording was een gevolg van toegenomen scholing onder de arbeiders en van het succes van sommige acties in binnen- en buitenland. Het besef groeide dat acties daad- werkelijk konden helpen.
- • Door de stijging van de welvaart viel meer te verdelen, ook onder de arbeiders.
- • Geleidelijk besefte de overheid dat er een sociale kwestie bestond en dat zij een bijdrage aan de oplossing ervan moest leveren.
- • Het merendeel van de arbeiders had betrekkelijk weinig inkomsten. Dat gold vooral de energiesector, de overslag (havens), de textiel en de landbouw.
- • Acties bleven dus steeds noodzakelijk.
- • De arbeiders bleven in het parlement ondervertegenwoordigd.
- • De bij vakbonden aangesloten arbeiders vormden altijd een minderheid onder de arbeiders.
- • Het aanbod van ongeschoolden of geoefenden (half-geschoolden) bleef snel groeien, waardoor de positie van de arbeiders verzwakte.
- • De vakbeweging was sterk verdeeld, waardoor de verzuilde bewegingen geen vuist konden en wilden maken.
- • De kiesdrempel was door de kieswet van 1896 te hoog om de arbeiders veel politieke invloed te geven.
- • Domela Nieuwenhuis was in zijn tijd één van de meest omstreden Nederlanders. Hij werd zowel verguisd als verheerlijkt onder de socialisten, genegeerd en op den duur toch ook min of meer gewaardeerd onder zijn tegenstanders, de confessionelen en de liberalen.
- • Historici hebben Domela in de loop van de tijd verschillend beoordeeld.
- • Binnen de Hervormde Kerk voelden de orthodoxe protestants-christelijken zich achtergesteld, omdat er door het benoemingsbeleid van predikanten bijna geen orthodoxe predikanten werden aangesteld. Voor hun ideeën was binnen deze kerk weinig ruimte. De leider van deze orthodoxe protestants-christelijken was de predikant Abraham Kuyper. Zij waren rond 1880 op weg een zuil te worden: ze hadden toen al een eigen dagblad, een politieke partij, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en een hogeschool.
- • Van de vorming van een rooms-katholieke zuil was rond 1880 nog geen sprake. In deze groep ontvingen de kinderen, vergeleken bij de protestants-christelijken, minder onderwijs omdat ze vaker, met name in het boerenbedrijf, moesten meehelpen om geld te verdienen in het ouderlijk gezin. Vooral boven de grote rivieren bevonden katholieken zich in een achtergestelde positie. Daardoor beschikten zij over minder financiële middelen voor een goede armenzorg en voldoende onderwijs dan de protestanten.
- • Rond 1880 kwam de schoolstrijd op gang: de confessionelen wilden een einde maken aan de financiële achterstelling van het bijzonder onderwijs ten opzichte van het openbaar onderwijs.
- • Protestants-christelijken wezen de ideeën van socialisten af omdat deze een klasseloze maatschappij voorstonden, uitgingen van klassenstrijd en religie als 'opium van het volk' beschouwden.
- • Het besef groeide onder de orthodoxe protestants-christelijken en de rooms-katholieken dat aan hun achterstand iets moest en kon worden gedaan.
- • Beide geloofsgroepen besloten zich vanuit hun eigen levensbeschouwing te organiseren. Kuyper introduceerde het begrip soevereiniteit in eigen kring. Interconfessionaliteit werd afgewezen. Dat werd veroorzaakt door:
- a. het onderlinge wantrouwen dat door het verleden was bepaald;
- b. de instellingen tegen wie zij zich richtten: de protestants-christelijken voelden zich door de veelal protestantse, maar Hervormde overheid, achtergesteld, de rooms-katholieken echter door de kabinetten, van welke achtergrond dan ook;
- c. het geografisch sterk verschillend woongebied van beide groepen;
- d. grote religieuze tegenstellingen.
- • Aan protestants-christelijke zijde: vakbonden als Patrimonium, politieke partijen als de ARP en de CHU, en op zedelijk gebied de Nederlandse Vereniging tegen de Prostitutie.
- • Aan rooms-katholieke zijde: de Goede Herder (op moreel gebied) en de Algemeene Bond van Kiesverenigingen in Nederland.
- • directe belangenbehartiging door uitbreiding van het kiesrecht: de protestants-christelijken en rooms-katholieken hadden onder de niet-kiesgerechtigde bevolking een grotere aanhang;
- • bevordering van een eigen op levensbeschouwing gebaseerd onderwijs;
- • verder uitbouwen van de eigen identiteit door verschillende deelgebieden zoals zedelijkheid, waarop de levensbeschouwing berust, verder te definiëren en inhoud te geven;
- • versterking van hun eigen positie door het oprichten van organisaties voor belangenbehartiging en voor vrijetijdsbesteding in eigen kring.
- • het - eind 19e eeuw gegroeide - besef dat levensbeschouwing zich niet tot één gebied (zoals het kerkelijk leven) moest beperken;
- • de overtuiging dat de identiteit van de eigen zuil op verschillende maatschappelijke gebieden naar buiten diende te komen;
- • het gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van de eigen groep noodzaakte tot een actieve rol op vele terreinen;
- • de vrees dat de industrialisatie met voortgaande verstedelijking zou leiden tot ontkerkelijking en verlies van levensbeschouwelijke waarden, stimuleerde een brede verzuiling: daarin zagen de confessionelen een garantie tegen de ongewenste gevolgen van de modernisering.
- • het oprichten van organisaties en politieke partijen, het organiseren van petities, demonstraties en stakingen;
- • het vormen van personele unies in de leiding van de verschillende verzuilde organisaties, zoals tussen vakbonden en politieke partijen.
- • Orthodoxe protestants-christelijken scheidden zich van de Hervormde Kerk af en stichtten (in 1885-1886) de Gereformeerde Kerk.
- • Confessionele kabinetten ontstonden vanaf 1888.
- • De verzuiling van het onderwijs werd verder uitgebreid en bevestigd.
- • Na zware politieke strijd werd het bijzonder onderwijs gelijkgesteld aan het openbare, in de pacificatie van 1917. Daarmee was de financiering van de bijzondere school dezelfde als die van de openbare school.
- • Het leven van protestants-christelijken en rooms-katholieken ging zich vrijwel 'van de wieg tot het graf' binnen de eigen zuil afspelen.
- • Door het stichten van de Gereformeerde Kerk konden orthodoxe protestants-christelijken hun eigen predikanten benoemen.
- • Confessionele kabinetten werden mogelijk als gevolg van de uitbreiding van het kiesrecht: de liberalen hadden vooral aanhang onder de middengroepen in de samenleving.
- • De verzuiling werd in de hand gewerkt door het toegenomen verlangen van mensen het eigen leven zoveel mogelijk met mensen van de eigen levensbeschouwing door te brengen.
- • Ondanks de invoering van de leerplichtwet verdween de achterstand in het onderwijs bij rooms-katholieken niet.
- • Tussen verschillende levensbeschouwelijke groepen bleef wantrouwen bestaan.
- • Confessionelen handhaafden hun grote weerzin tegen de ideeën van de sociaal-democraten.
- • Armoede in de rooms-katholieke gezinnen noodzaakte veel kinderen uit deze groep direct na de leerplichtige leeftijd te gaan werken.
- • Het wantrouwen tussen protestanten en rooms-katholieken berustte op eeuwenoude tegenstellingen.
- • De verdeeldheid onder protestanten verslapte ook de daadkrachtige realisering van de ideeën van deze groep.
- • Confessionelen verwierpen de denkbeelden van sociaal-democraten over een klasseloze maatschappij en over religie als 'opium van het volk'.
- • Ten tijde van de discussies rond de zedelijkheidswet stonden vooral de confessionelen (voor: de moraal dient beter beschermd te worden), de meeste liberalen (tegen: het is een priv‚zaak) en de socialisten (tegen: hoger zedelijk peil alleen te bereiken door verbetering van de sociaal-economische omstandigheden) met hun visies tegenover elkaar.
- • Achteraf is er door historici verschillend geoordeeld over het indienen van de wet. Het 'koekoeksei van Regout': de rooms-katholieke minister van justitie zou op het laatste moment nog een bepaling tegen homoseksualiteit hebben ingevoerd, terwijl andere historici benadrukken dat ook dit onderdeel van het wetsontwerp uitvoerig werd besproken en in de Tweede Kamer een meerderheid kreeg.
- • de overheidszorg leek op een nachtwakersstaat, die reageerde op knelpunten en voorwaarden schiep die door anderen konden worden gebruikt;
- • de menskracht en de uitgaven van de staat waren gering: er waren in 1880 ca. 50.000 ambtenaren en men gaf toen jaarlijks ca. f 15 per hoofd van de bevolking uit;
- • de overheid greep alleen in op het gebied van de fabrieksarbeid door kinderen, en verder slechts wanneer zij dit beslist noodzakelijk achtte: de andere onderdelen van sociale zorg werden vooral aan particuliere organisaties overgelaten;
- • wel verschafte de overheid mogelijkheden voor particulieren om hun belangen te verdedigen: een staking was (sinds 1872) een legaal middel.
- • De overheidszorg nam sterk toe: zo groeide het aantal ambtenaren in 1900 tot 69 000 ambtenaren en gaf men toen f 23 per hoofd van de bevolking uit.
- • De uitgaven van de overheid stegen sterk: van f 113 miljoen in 1880 tot f 204 miljoen in 1910.
- • Bij de uitgaven werd relatief minder aan de verdediging en de rechtspraak besteed en meer aan onderwijs en huisvesting. De kosten voor onderwijs stegen sterk als gevolg van de leerplichtwet van 1901 en de pacificatiewet van 1917.
- • De lagere overheden, zoals de provincie maar vooral de gemeente (Amsterdam!), gingen een belangrijke rol spelen: bijvoorbeeld op het gebied van de nutsvoorzieningen (gas, water, elektriciteit) en op het terrein van de volkshuisvesting.
- • De centrale overheid hield parlementaire enquêtes om knelpunten te onderzoeken op het gebied van arbeid, veiligheid en stakingen (gas, water, elektriciteit) en op het terrein van de volkshuisvesting.
- • Wetgeving had soms tot doel om schadelijke effecten voor het leven en de arbeidsomstandigheden te voorkomen. Daartoe kwamen de arbeidswet, de veiligheidswet en de woningwet tot stand.
- • Wetten beoogden soms ook mensen te beschermen die in een, niet aan hen te wijten, nadelige positie waren geraakt. Hierbij ging het om sociale voorzieningen zoals de ziektewet.
- • Het kiesrecht werd sterk uitgebreid: alleen voor mannen van 25 jaar en ouder: zo had in 1888 26% van hen kiesrecht, in 1910 63%.
- • De problemen waren door de modernisering van de samenlevern (industrialisatie, verstedelijking, groei van de bevolking) te groot geworden om de oplossing daarvan aan particulieren over te laten.
- • De kosten van de noodzakelijke voorzieningen konden alleen door de lokale en nationale overheden worden gedragen.
- • Geleidelijk werd de overheid zich ervan bewust dat er een sociale kwestie bestond.
- • Door de druk van emancipatiebewegingen, zoals confessionele groepen en arbeiders.
- • Uit vrees bij liberalen en confessionelen voor de opkomst van het sociaal-democraten die een andere (klasseloze) maatschappij wilden realiseren.
- • J.C.H. Blom en E. Lamberts (ed.), Geschiedenis van de Nederlanden (Rijswijk z.j.)
- • H. Knippenberg en B. de Pater, De eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800 (Nijmegen 1988)
- • J.J. Woltjer, Recent verleden. Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 1992)
- • A.J.W. Camijn, Een eeuw vol bedrijvigheid. De industrialisatie van Nederland, 1814-1914 (Utrecht-Antwerpen 1987)
- • W.F.B. Melching en J. Talsma (ed.), 'Breukvlak in Nederland?', Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 106 (1991)
- • H. te Velde, Gemeenschapszin en plichtsbesef. Liberalisme in Nederland, 1870-1918 (Groningen 1992)
- • J.L. van Zanden en R.T. Griffiths, Economische geschiedenis van Nederland in de 20e eeuw (Utrecht 1989)
- • D. Damsma, Het Hollandse huisgezin (1560-heden) (Utrecht-Antwerpen 1993)
- • L. Dasberg, Groot brengen door kleinhouden als historisch verschijnsel (Meppel 1975)
- • D.J. Noordam, 'Volmaakt geluk? Vier eeuwen huwelijk en gezin in Nederland', in: H. Dupuis e.a., Een kind onder het hart (Amsterdam 1987)
- • H. van Setten, In de schoot van het gezin. Opvoeding in Nederlandse gezinnen in de twintigste eeuw (Nijmegen 1986)
- • S.L. Sevenhuijsen, De orde van het vaderschap (Amsterdam 1987)
- • T. Zwaan (red.), Familie, huwelijk en gezin in West-Europa. Van middeleeuwen tot moderne tijd (Amsterdam 1993)
- • M. Borkus, e.a., Vrouwenstemmen - 100 jaar vrouwenbelangen, 75 jaar vrouwenkiesrecht (Zutphen 1994)
- • E. Brunt (red.), Mevrouw, ik groet u: Necrologieën van vrouwen (Amsterdam 1987)
- • C. van Eyl, Het werkzame verschil - vrouwen in de slag om arbeid 1898-1940 (Hilversum 1994)
- • U. Jansz, Denken over sekse in de eerste feministische golf (Amsterdam1990)
- • P. Koenders, Tussen christelijk Reveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid in Nederland, met nadruk op de repressie van homoseksualiteit (Amsterdam 1996)
- • Aletta Jacobs
- • I. Smit en A. Weert (red.), Aletta Jacobs, het hoogste streven - interviews en achtergronden (Groningen 1995)
- • G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging (Nijmegen 1975)
- • A. de Regt, Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Ontwikkelingen in Nederland 1870-1940 (Meppel-Amsterdam 1984)
- • A. de Jong, Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Den Haag 1966
- • J. Romein, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de apostel der arbeiders, in: Erflaters van onze beschaving (Amsterdam 1973)
- • J. Frieswijk e, (red.), Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de apostel der arbeiders (Leeuwarden 1988)
- • J.C.H. Blom en C.J. Misset (ed.), Broeders sluit U aan. Aspecten van verzuiling in zeven Hollandse gemeenten (Den Haag 1985)