Bijlage 1 Besluit vaststelling van de dood bij postmortale orgaandonatie
Besluit vaststelling van de dood bij postmortale orgaandonatie
Wanneer onderzoek bij een patiënt uitwijst dat het optreden van hersendood niet te verwachten is, en besloten wordt verdere op herstel gerichte behandeling te staken, wordt na de switch-off procedure de dood van de patiënt op de volgende wijze vastgesteld: Wanneer ten aanzien van een patiënt besloten wordt tot het staken van de reanimatie vanwege onomkeerbaar en permanent functieverlies of vanwege een geldige reden van reanimatie is afgezien, wordt de dood van de patiënt op de volgende wijze vastgesteld:
- • Vaststellen dat er een circulatiestilstand is. Bij voorkeur wordt dit vastgesteld – door (een) ter zake kundige waarnemer(s) – aan de hand van de afwezigheid van pulsaties in een correct functionerende arteriële lijn, of anders met behulp van gebruikelijke niet-invasieve methodes.
- • Na circulatiestilstand wordt een (no-touch) observatietijd van vijf minuten in acht genomen. Tijdens deze periode en ook daarna mogen geen interventies worden gedaan die tot herstel van de cerebrale doorbloeding zouden kunnen leiden.
- • Aan het einde van deze observatietijd stelt de behandelend arts de dood vast.
- • Vaststellen dat er een circulatiestilstand is. Bij voorkeur wordt dit vastgesteld – door (een) ter zake kundige waarnemer(s) – aan de hand van de afwezigheid van pulsaties in een correct functionerende arteriële lijn, of anders met behulp van gebruikelijke niet-invasieve methodes.
- • Er wordt een (no-touch) observatietijd van vijf minuten in acht genomen, behalve wanneer het een patiënt betreft die reeds hersendood is verklaard. Tijdens deze periode en ook daarna mogen geen interventies worden gedaan die tot herstel van de cerebrale doorbloeding zouden kunnen leiden.
- • Aan het einde van deze observatietijd stelt de behandelend arts de dood vast.