Art. 3 Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen, Ontwerp
Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen
3.1. Degene die een koelinstallatie ontwerpt of installeert draagt er zorg voor dat de koelinstallatie zodanig is ontworpen en uitgevoerd dat:
a. bij een normaal gebruik van de koelinstallatie geen verlies van koudemiddel optreedt;
b. door corrosie, spanningen of trillingen die bij een normaal gebruik van de koelinstallatie kunnen optreden, geen verlies van koudemiddel optreedt;
c. installatie-, onderhouds- en controlewerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, zonder dat dit leidt tot verlies van koudemiddel;
d. de druk die optreedt tijdens de periode waarin de koelinstallatie normaal in bedrijf is, tijdens de periode waarin de koelinstallaties buiten bedrijf is gesteld, of tijdens het transport van een koelinstallatie, niet leidt tot verlies van koudemiddel.
3.2. Bij de bepaling van de maximaal toelaatbare werkdruk voor een koelinstallatie dient rekening te worden gehouden met:
a. de omgevingstemperatuur;
b. de aanwezigheid van niet condenseerbare gassen;
c. de verschillen tussen de inwendige druk van de koelinstallatie tijdens een normaal gebruik en de druk waarop de pressostaat is ingesteld;
d. de ontdooimethode;
e. de aard van de toepassing van de koelinstallatie;
f. de invloed van zonneschijn;
g. mogelijke vervuiling of beschadiging van de koelinstallatie.
3.3. Indien een koelinstallatie is onderverdeeld in verschillende installatiegedeelten en voor ieder gedeelte een afzonderlijke maximaal toelaatbare werkdruk geldt, dient de druk waaronder de koelinstallatie of het installatiegedeelte normaal in bedrijf is, lager te zijn dan de maximaal toelaatbare werkdruk voor de koelinstallatie of het installatiegedeelte.
3.4. De ontwerpdruk van een onderdeel mag niet lager zijn dan de maximaal toelaatbare werkdruk voor de koelinstallatie of voor het gedeelte van de koelinstallatie waarvan het onderdeel deel uitmaakt.
3.5. De verhouding tussen druk en maximaal toelaatbare werkdruk voor een koelinstallatie dient te voldoen aan de verhoudingen die zijn weergegeven in tabel 2.
3.6. In een koelinstallatie, waarvan het lagedrukgedeelte niet gescheiden kan worden van het hogedrukgedeelte, mag de afpersdruk van de koelinstallatie gelijk zijn aan de maximaal toelaatbare werkdruk voor het lagedrukgedeelte, indien de onderdelen van het hogedrukgedeelte getest zijn overeenkomstig de drukken zoals weergegeven in tabel 2.