Bijlage 3 Vaststelling energieprogramma’s (eerste tranche)
Vaststelling energieprogramma’s (eerste tranche)
Het doel van het EWAB-programma is het bevorderen van de inzet van biomassa en afval als energiebron, zodanig dat maximaal wordt bijgedragen aan de besparing op fossiele brandstoffen, waarbij de belasting van het milieu binnen aanvaardbare grenzen dient te blijven. Het programma richt zich vooral op projecten op het gebied van brandstofvoorziening, technologie-ontwikkeling, haalbaarheid, demonstratie en marktintroductie. Het programma is ingedeeld in drie onderdelen: Dit onderdeel richt zich op de versterking van de beschikbaarheid van biomassa(brandstoffen) voor energie. Het gaat hierbij om o.a. de teelt van energiegewassen, de benutting van bosbouwkundige, agrarische en industriële reststromen, de import van biomassa, het vervoer, de bewerking, de karakterisering en de versterking van de markt in biomassabrandstoffen. De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie en marktintroductieprojecten gericht op: Dit onderdeel richt zich op de omzetting van biomassa in energie door middel van zowel thermische als biologische conversietechnieken. De nadruk ligt daarbij op de thermische conversieprocessen. De conversie kan zowel betrekking hebben op schone biomassa als biomassa met een afvalkarakter: huishoudelijk afval (of fracties daaruit), hout (vers hout, oud hout, resthout), bedrijfsafval, zuiveringsslib, agrarische residuen, mest, stro, bermgras, energiegewassen. De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroductieprojecten gericht op: Dit onderdeel richt zich op de promotie van energiewinning uit afval en biomassa. De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: Toelichting op de bovengenoemde aspecten
- de teelt van gewassen t.b.v. de (eventueel gedeeltelijke) inzet voor energiedoeleinden;
- de import van biomassa t.b.v. de inzet voor energiedoeleinden, met uitzondering van de inzet in afvalverbrandingsinstallaties;
- inventarisatie van de aard en hoeveelheden van biomassa(brandstoffen);
- bewerking van afval en/of biomassa tot een (hoogwaardige) brandstof, o.a. energiezuinige processen voor het drogen en verkleinen;
- vermindering van de gezondheidsbezwaren bij het omgaan met biomassa-(brandstoffen);
- het bij elkaar brengen van vraag naar en aanbod van biomassa(brandstoffen).
- schone en efficiënte verbranding van biomassa voor, in het bijzonder, de gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte;
- thermische vergassing van biomassa. Daarin zijn ook begrepen de daarmee samenhangende voorbewerking van de brandstof en de toepassing van stookgas in gasturbines of gasmotoren;
- pyrolyse-, liquefactie- en/of carbonisatieprocessen voor biomassa;
- het meeverbranden van biomassa met fossiele brandstoffen in elektriciteitscentrales of bij andere toepassingen, m.n. waar het schone biomassa (geen afval) betreft;
- verbetering van de energiebenutting bij afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s);
- de winning en benutting van stortgas, voor zover het project bijdraagt aan de stortgaswinning op langere termijn;
- vergisting van (natte) bedrijfsafval-stromen, eventueel gecombineerd met mest.
- projecten die gericht zijn op het vergroten van het draagvlak bij de Nederlandse bevolking voor de introductie van energiewinning uit bio-massa;
- projecten die gericht zijn op onderwijs en scholing van groepen, die een belangrijke rol spelen bij de implementatie van energiewinning uit biomassa;
- projecten die gericht zijn op de industriële samenwerking in federatie-verband of vergelijkbare vormen.
- a. de slaagkans van het project;
- b. de milieuverdienste van het project;
- c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;
- d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;
- e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma;
- f. de nieuwheid van het project;
- g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;
- h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;
- i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.
- de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden(ton/jaar);
- de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking;
- de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.
- het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;
- het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;
- (vergaande) procesintegratie.