Bijlage 2 IFVW: de verdeelmaatstaven (bijlage bij artikel 13)
Invoeringswet Financiële-verhoudingswet (IFVW)
Nr. Verdeelmaatstaf Bron Peildatum 1 Het gecorrigeerde totaal van de vastgestelde waarden, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, in de gemeente, in miljoenen guldens, gedeeld door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Correctie vindt plaats door de waarden van woningen voor 80% en de waarden van niet–woningen voor 70% mee te tellen. Niet meegeteld worden: CBS 2 Het aantal inwoners van de gemeente. CBS 3 Het aantal inwoners van de gemeente met een leeftijd van 19 jaar en minder. CBS 4 Het aantal inwoners van de gemeente met een leeftijd van 65 jaar en meer. CBS 5 a, b en c Voor de gemeenten Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog: het aantal inwoners van de gemeente. Daarbij vindt een verdeling plaats in drie maatstaven, overeenkomstig de volgende schijven: CBS 6 Het aantal inkomenstrekkers in de gemeente, waarvan het inkomen groter is dan inkomensgrens a en niet groter is dan inkomensgrens b. Inkomensgrens a wordt zodanig bepaald dat juist bij 10% van het landelijk aantal inkomenstrekkers het inkomen onder de grens ligt. Inkomensgrens b wordt zodanig bepaald dat juist bij 40% van het landelijk aantal inkomenstrekkers het inkomen onder de grens ligt. CBS De meest recente, vóór het uitkeringsjaar vastgestelde inkomensstatistiek 7 Het aantal personen dat van de gemeente een periodieke uitkering ontvangt op grond van: Indien een normuitkering wordt verdeeld over meerdere personen, worden deze personen geteld als één persoon. CBS 31 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar 8 CBS 1. 31 december 1995, 31 december 1996, 31 december 1997 2. 31 december 1998 9 Het aantal personen, bedoeld in maatstaf 8, gedeeld door de som van 350 en dat aantal. 10 Het totaal van de volgende aantallen personen: Bij de bepaling van de aantallen, bedoeld in de onderdelen 4 tot en met 6, worden alleen invaliditeitsuitkeringen geteld, aan personen jonger dan 65 jaar. Onderdeel 1: CBS Onderdelen 2 en 3: Onze Minister van Sociale Zake
- 1. de waarden die op grond van artikel 220d van de Gemeentewet buiten aanmerking gelaten worden;
- 2. de waarden van onroerende zaken ten aanzien waarvan op grond van artikel 243 van de Gemeentewet vrijstelling is verleend.
- a. het aantal inwoners in het interval tot en met 2500 inwoners;
- b. het aantal inwoners in het interval van 2501 tot en met 7500 inwoners;
- c. het aantal inwoners boven de 7500 inwoners.
- 1. de Algemene bijstandswet, voor zover betrekking hebbend op thuiswonende personen met een leeftijd van minder dan 65 jaar;
- 2. het Bijstandsbesluit adres lozen;
- 3. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- 4. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
- 1. Het over de drie peiljaren gemiddelde aantal van de in maatstaf 7 bedoelde personen.
- 2. Dit aantal wordt gecorrigeerd indien een gemeente is aangewezen om uitkeringen te verstrekken op basis van het Bijstandsbesluit adreslozen. Het aantal personen waaraan op basis van dit besluit uitkeringen wordt verstrekt, wordt bij het aantal van de in het eerste lid bedoelde personen opgeteld.
- 1. het aantal personen, bedoeld in maatstaf 7;
- 2. het aantal personen waarvoor de gemeente een geldelijke bijdrage van het Rijk ontvangt in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden;
- 3. het aantal personen dat ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening in een dienstbetrekking tot de gemeente staat;
- 4. het aantal inwoners van de gemeente dat een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Algemene militaire pensioenwet;
- 5. het aantal inwoners van de gemeente dat een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- 6. het aantal inwoners van de gemeente dat een periodieke uitkering ontvangt op grond van het Reglement van het Algemeen Mijnwerkersfonds.
- 1.
- a. onderwijs aan een «speciale school voor basisonderwijs» als gedefinieerd in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
- b. voortgezet speciaal onderwijs, voor zover het onderwijs betreft als bedoeld in artikel 125 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de WVO;
- 2. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in artikel 2, 2e lid, van de Wet op de expertisecentra;
- 3. voortgezet onderwijs voor zover het onderwijs betreft als bedoeld in artikel 5, onder a tot en met c, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
- a. gemeenten met minder dan 5000 inwoners;
- b. gemeenten met 5000 tot 400 000 inwoners;
- c. gemeenten met 400 000 of meer inwoners.
- 1. De in maatstaf 17 bedoelde factor verminderd met 0,25.
- 2. 350 verminderd met de gemiddelde hoogte in centimeters van de bebouwing in de bebouwde kommen van de gemeente.
- 3. 200 vermeerderd met de onder 2 bedoelde gemiddelde hoogte.
- 4. Het aantal woonruimten in de gemeente.
- 1. De in maatstaf 17 bedoelde factor verminderd met 0,25.
- 2. De oppervlakte, bedoeld in maatstaf 15, omgezet in vierkante meters, verminderd met het gecorrigeerde grondoppervlak, bedoeld in maatstaf 20.
- a. gemeenten waarbij het grondoppervlak van de kernen kleiner is dan 65 hectaren;
- b. gemeenten waarbij het grondoppervlak van de kernen groter dan of gelijk is aan 65 hectaren.
- 1. de algemene uitkeringen aan de gemeenten die betrokken waren bij de wijziging van de grenzen van de gemeente vast te stellen over het uitkeringsjaar waar de datum van herindeling in ligt, alsof geen wijziging had plaatsgevonden;
- 2. van deze uitkeringen een deel te bepalen dat een redelijke benadering is van het aandeel van de uitkeringen dat samenhangt met het gebied van de gemeente op de datum van herindeling;
- 3. dit deel te verminderen met 100,25% van de algemene uitkering van de gemeente over het uitkeringsjaar waar de datum van herindeling in ligt;
- 4. het verschil te delen door de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar. Indien het resultaat negatief is wordt het op 0 vastgesteld.