Art. 1.1 Regeling dierlijke EG-premies, Begripsbepalingen

Regeling dierlijke EG-premies

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

1º privaatrechtelijke rechtspersoon die gronden in eigendom, vruchtgebruik, erfpacht of pacht heeft en in voorkomende gevallen blijkens zijn statuten ten doel heeft deze gronden te beheren uit oogpunt van natuurbeheer;

2º publiekrechtelijke rechtspersoon;

1° geheel van in Nederland gelegen productie-eenheden die de producent ingevolge een recht van eigendom, een zakelijk gebruiksrecht, een door de grondkamer goedgekeurde of geregistreerde pachtovereenkomst, een pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 58 van de Pachtwet of een grondgebruiksverklaring als bedoeld in artikel 1 van de Regeling landbouwgrond Meststoffenwet in beheer heeft, dan wel.

2° door de producent beheerde grond dan wel grond tijdelijk in gebruik gekregen op grond van een overeenkomstig artikel 192, respectievelijk artikel 194, van de Landinrichtingswet vastgesteld plan van tijdelijk gebruik, dan wel krachtens artikel 46, vierde lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland of krachtens artikel 28, vierde lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, dan wel grond tijdelijk in gebruik gekregen van de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, of

3° de in Nederland gelegen bedrijfsgebouwen waarvan de producent op basis van een schriftelijke overeenkomst ten minste gedurende de aanhoudperiode als bedoeld in het vierde lid het gebruik heeft, of

4° in Nederland gelegen grond welke door een terreinbeherende organisatie op basis van een schriftelijke overeenkomst ten minste gedurende 7 maanden met ingang van 31 maart van het jaar waarin de premie wordt aangevraagd, aan de producent in gebruik is gegeven, of

5° voorzover het een producent van schapenvlees betreft en onverminderd het hiervoor gestelde: andere dan de bovenbedoelde grond of gebouwen die de producent voor de productie van schapenvlees in gebruik heeft mits de in artikel 5.3, eerste en tweede lid, bedoelde schriftelijke mededeling door LASER is ontvangen;

2. In het kader van artikel 5.4 wordt onder bedrijf verstaan het geheel van de door de producent beheerde productie-eenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel v, sub 1° tot en met 4°, die de producent voor de productie van schapenvlees in gebruik heeft.

3. Indien een producent beschikt over voederareaal dat gedeeltelijk ligt in België of Duitsland in de onmiddellijke nabijheid van zijn bedrijf, kan dit areaal op zijn verzoek geacht worden deel uit te maken van zijn bedrijf.

4. De aanhoudperiode gedurende welke de dieren waarvoor premie is aangevraagd op het bedrijf moeten worden gehouden, beloopt voor:

ooien: een aaneengesloten periode van 100 dagen gerekend vanaf de eerste dag na het einde van de aanvraagperiode;

stieren of ossen: een aaneengesloten periode van twee maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van ontvangst door LASER van de premie-aanvraag;

zoogkoeien: een aaneengesloten periode van zes maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van ontvangst door LASER van de premie-aanvraag;

runderen waarvoor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, wordt aangevraagd: een aaneengesloten periode van tenminste twee maanden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen