Art. 8.03 Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, Voortstuwingsinstallaties
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
1. De aandrijving van een schip moet op betrouwbare en snelle wijze aangezet, gestopt en van vooruit op achteruit of andersom gezet kunnen worden.
2. Het kritieke peil van moet worden aangegeven door daartoe geschikte inrichtingen, die bij het bereiken van kritieke waarden een alarmsignaal in werking stellen.
a. de temperatuur van het koelwater van de voortstuwingsmotoren;
b. de druk van de smeerolie van de voortstuwingsmotoren en de transmissie;
c. de olie- en luchtdruk van de omkeerinrichting van de voortstuwingsmotoren, de keerkoppeling of de schroeven;
3. Bij schepen met slechts één voortstuwingsmotor mag, behalve ingeval van overtoeren, de motor niet automatisch worden stopgezet.
4. Doorvoeringen van assen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar buiten kunnen treden.