Bijlage III Rdbm: behorende bij artikel 4 van de Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer

Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer (Rdbm)

De vloeistofaansluiting aan de vularm moet een vrouwelijke aansluiting zijn die gekoppeld kan worden aan een mannelijke API-adapter van 4 inch (101,6 mm) op het voertuig, zoals gedefinieerd door: API Recommended Practice 1004, Seventh Edition, November 1988; Bottom loading and Vapour Recovery for MC-306 Tank Motor Vehicles (Section 2.1.1.1, Type of Adapter used for Bottom Loading). De dampopvangaansluiting op de dampopvangslang van het laadportaal moet een vrouwelijke nok-groef-verbinding zijn die gekoppeld kan worden aan een mannelijke nok-groef-adapter van 4 inch (101,6 mm) op het voertuig, zoals gedefinieerd door: ‐ API Recommended Practice 1004, Seventh Edition, November 1988; Bottom loading and Vapour Recovery for MC-306 Tank Motor Vehicles (Section 4.1.1.2, Vapour-Recovery Adapter). Het normale vloeistoflaaddebiet moet 2 300 liter per minuut (ten hoogste 2 500 liter per minuut) per vularm zijn. Bij piekbelasting van de terminal mag het dampopvangsysteem van het laadportaal, met inbegrip van de dampterugwinningseenheid, een maximale tegendruk van 55 millibar aan de laadportaalzijde van de dampopvangaansluiting op de dampopvangslang teweegbrengen. Het laadportaal moet voorzien zijn van een overloopdetectiebedieningseenheid die, verbonden met het voertuig, een faalveilig vultoelatingssignaal geeft, voor zover geen compartimentsoverloopsensoren een hoog peil signaleren. De bedieningseenheid van het laadportaal moet voorzien zijn van een kabel waaraan een contrasteker is bevestigd die via een standaard 10-pens elektrische contactdoos verbonden moet worden met de steker op het voertuig. De bedieningseenheid van het laadportaal moet zowel voor tweedraadstermistor sensoren met negatieve temperatuurcoëfficiënt, tweedraadsoptische sensoren als voor vijfdraadsoptische sensorsystemen op het voertuig geschikt zijn. Het voertuig moet met het laadportaal verbonden zijn via de gemeenschappelijke retourdraad van de overloopsensoren, die via het chassis van het voertuig verbond