Bijlage II Rdbm: behorende bij artikel 3 van de Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer
Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer (Rdbm)
Verplaatsingsdampen uit mobiele tanks die worden gevuld, dienen via een dampdichte leiding te worden teruggevoerd naar een dampterugwinningseenheid om in de terminal te worden teruggewonnen. Voorschrift 1 is niet van toepassing op het vullen van tankwagens langs de bovenzijde, zolang deze wijze van vullen toegestaan is. Op terminals waar benzine in schepen wordt overgeslagen kan een dampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid, wanneer dampterugwinning onveilig of technisch onmogelijk is vanwege de hoeveelheden retourdamp. De voorschriften voor de emissies van de dampterugwinningseenheid in de atmosfeer zijn eveneens van toepassing op de dampverbrandingseenheid. Op terminals met een debiet van minder dan 25 000 ton per jaar kan onmiddellijke dampterugwinning op de terminal worden vervangen door voorlopige dampopslag. Op terminals waarbij de tanks met vast dak zijn aangesloten op een systeem van voorlopige dampopslag, dienen de dampen die worden verplaatst door het vullen van mobiele tanks met benzine vanuit de tanks met vast dak, via een dampdichte leiding te worden toegevoerd naar de voorziening voor voorlopige dampopslag, en dienen de dampen die worden verplaatst door het vullen van de vast-dak-tanks met benzine vanuit een mobiele tank via een dampdichte leiding te worden teruggevoerd naar de mobiele tank van waaruit de benzine wordt geleverd. Vulwerkzaamheden mogen alleen plaatsvinden, indien genoemde voorzieningen aanwezig zijn en naar behoren werken. De gemiddelde concentratie van dampen in de afvoer van de dampterugwinningseenheid – gecorrigeerd voor de verdunning tijdens de behandeling – mag niet meer bedragen dan: In het geval van belading van schepen kan het bevoegd gezag bij het verlenen of wijzigen van de vergunning in de daaraan verbonden voorschriften een andere eis aan bedoelde concentratie stellen, met dien verstande dat bedoelde concentratie niet meer mag bedragen dan 35 g/Nm3 gedurende één uur en die andere eis betrekki
- a. 10 g/Nm3 gedurende één uur in het geval van belading van tankwagens;
- b. 10 g/Nm3 gedurende één uur in het geval van belading van mobiele tanks die per spoor worden vervoerd;
- c. 20g/Nm3 gedurende één uur in het geval van belading van schepen.