Art. 48c Wte, Dwangsom en bestuurlijke boete
Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte)
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 3, eerste en vierde lid, 4, tweede lid, 5, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onderdelen b en c, en derde lid, 5a, eerste en vierde lid, 6, tweede lid, 6a, eerste en derde lid, 6b, 6c, tweede lid, 7, eerste, derde, vierde en zevende lid, 10, tweede lid, 11, eerste en tweede lid, 11a, eerste tot en met vijfde lid, 12, tweede en vierde lid, 13, eerste lid, tweede volzin, vijfde lid, zesde lid, eerste volzin, zevende en negende lid, 14, eerste en vierde lid, 15, tweede lid, 15a, eerste, tweede en derde lid, 15b, eerste en tweede lid, 16, eerste, zevende, achtste en tiende tot en met twaalfde lid, 17, eerste lid, 18, tweede lid, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid, 19, derde lid, 21, zesde lid, 22, eerste, derde en vijfde lid, 23, 24, eerste en derde lid, 26a, eerste, vijfde, zesde en negende lid, 28, derde en zesde lid, onder a, 28c, tweede, derde en vierde lid, 28a, tweede en vierde lid, 29, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 29a, tweede en vierde volzin, 36, tweede lid, 37, tweede lid, 39, derde lid, voor zover het betreft het voorschrift op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 46, eerste, derde en negende lid, 46a, eerste en tweede lid, 46b, eerste lid, 47, eerste, tweede, vijfde, zevende en achtste lid, 47a, eerste tot en met derde lid, 47c, eerste en derde lid, 47d, derde lid, 47e, 47f en 48, eerste en tweede lid en de artikelen 26, vijfde lid, 30 en 34 van de prospectusverordening.
2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze Minister met toepassing van artikel 40, eerste lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete heeft overgedragen aan een rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.
3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 7 juni 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA7443
- CBb 6 november 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BK2641
- CBb 12 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY8029
- Rb. Rotterdam 20 december 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BC0861
- CBb 9 februari 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AV2682
- CBb 1 november 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AU5647
- Rb. Rotterdam 10 december 2008, ECLI:NL:RBROT:2008:BG7839
- Rb. Rotterdam 24 april 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA4376
- Rb. Rotterdam 9 november 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AZ2053
- Rb. Rotterdam 10 oktober 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AZ0060
- Rb. Rotterdam 27 april 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AW9671
- Rb. Rotterdam 24 april 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AW9642
- Rb. Rotterdam 11 oktober 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AU4623
- Rb. Rotterdam 5 april 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AT3564
- Rb. Rotterdam 18 februari 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AS8818
- Rb. Rotterdam 1 juli 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AQ1088
- Rb. Rotterdam 9 april 2004, ECLI:NL:RBROT:2004:AO8465
- Rb. Rotterdam 30 september 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AL6239
- Rb. Rotterdam 27 juni 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AH8853
- Rb. Rotterdam 14 april 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AF7603