Art. 2 Tijdelijke bijdrageregeling AWBZ-gemeenten

Tijdelijke bijdrageregeling AWBZ-gemeenten

1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt voor ieder kalenderjaar het totaalbedrag van de bijdragen, bedoeld in artikel 1, vast.

2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt over de gemeenten verdeeld naar evenredigheid van de veronderstelde vervoersbehoefte in de in artikel 1 bedoelde instellingen. De veronderstelde vervoersbehoefte is:

a. voor instellingen, als bedoeld in artikel 1, onder a, d, e, f en g: 25% van de capaciteit van de instelling;

b. voor instellingen, als bedoeld in artikel 1, onder b: 8% van de capaciteit van de instelling;

c. voor instellingen, als bedoeld in artikel 1, onder c: 14% van de capaciteit van de instelling.

3. De peildatum voor de capaciteit van de instelling is 1 januari van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft.