Bijlage 1 Regeling storingsklachten: behorende bij de Regeling storingsklachten
Regeling storingsklachten
- A. Individuele omroepontvanginrichtingen Antenne-inrichting De installatie en het gebruik van de antenne-inrichting dient te geschieden in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant en/of installateur. De antenne-inrichting dient op een zodanige plaats te zijn opgesteld dat een optimale ontvangst mogelijk is en minimale storing mag worden verwacht. Indien een ontvanger is uitgerust met een daarbij behorende ferrietantenne dient deze antenne te worden gericht voor optimale ontvangst. Signaaltransport Voor het signaaltransport van de antenne naar de ontvanger dient een goede coaxiaalkabel te worden gebruikt, bijvoorbeeld coax 12. Voor aanpassing tussen antenne, kabel en ontvanger dienen de daarvoor bestemde transformatoren, koppel- en splitsfilters, versterkers, etc. te worden gebruikt volgens de montagevoorschriften van fabrikant en/of installateur. Bij het toepassen van signaalversterking tussen antenne en ontvanger worden breedbandversterkers als onvoldoende beschouwd. Onder breedbandversterkers moeten worden verstaan versterkers die naast het versterken van de benodigde frequentie-band(en) eveneens frequentiebanden, bestemd voor andere doeleinden, versterken. De minimum toestelspanning (d.i. de spanning gemeten op de antenneleiding ter plaatse van de toestelaansluitplug) van het te ontvangen signaal dient groter te zijn dan de hierna omschreven waarden. VHF-FM mono 40 VHF-FM stereo 52 VHF-TV band I 49 VHF-TV band III 48 UHF-TV band IV 51 UHF-TV band V 54 De installatie en het gebruik van de ontvanger dienen te geschieden in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant en/of installateur. De ontvanger dient op een zodanige plaats te zijn opgesteld dat een optimale ontvangst mogelijk is en minimale storing mag worden verwacht.
- B. Omroepnetwerk
- 1. Voor ontvangers aangesloten op een draadomroepinrichtingen is het gestelde voor individuele omroepontvanginrichtingen van toepassing.
- 2. Voor het aansluiten van tv- en FM ontvangers op de aansluitdoos van een omroepnetwerk dienen coaxiale aansluitsnoeren en connectoren te worden gebruikt die voldoende hoogfrequentdicht zijn.
- C. Andere ontvanginrichtingen De installatie en het gebruik van de antenne-inrichting dient te geschieden in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant en/of installateur. De antenne-inrichting dient op een zodanige plaats te zijn opgesteld dat een optimale ontvangst mogelijk is en minimale storing mag worden verwacht. Voor het signaaltransport van de antenne naar de ontvanger dient een coaxiaalkabel te worden gebruikt. Voor de aanpassing tussen antenne, kabel en ontvanger dienen de daarvoor bestemde transformatoren, koppel- en splitsfilters, versterkers, etc. te worden gebruikt volgens de montagevoorschriften van fabrikant en/of installateur. Bij het toepassen van signaalversterking tussen antenne en ontvanger worden ’breedbandversterkers’ als onvoldoende beschouwd. Onder breedbandversterkers moeten worden verstaan versterkers die naast het versterken van de benodigde (en/of toegewezen) frequentieband eveneens frequentiebanden bestemd voor andere doeleinden versterken. De installatie en het gebruik van de ontvanger dienen te geschieden in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant en/of importeur. De ontvanger dient op een zodanige plaats te zijn opgesteld dat een optimale ontvangst mogelijk is en minimale storing mag worden verwacht.
- a. Voor de radiodiensten in de landmobiele banden conform de ’Wenenovereenkomst’: De minimale veldsterkte op de ontvanglokatie die gehaald of overschreden dient te worden geldt voor 50% van de tijd en 50% van de plaats bij een antennehoogte van 2,5 meter en bij toepassing van frequentiemodulatie: Frequentieband Veldsterkte in dBmV/m 1De waarde 0 dBmV/m komt overeen met 1 mV/m. kleiner dan 50 MHz + 8 50-100 MHz + 14 100-200 MHz + 20 boven 400 MHz + 28
- b. Voor de overige radiodiensten gelden de door de Minister vastgestelde (inter)nationale systeemeisen.