Bijlage 5 Vaststelling enige energieprogramma’s (tweede tranche) 1995
Vaststelling enige energieprogramma’s (tweede tranche) 1995
Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt in het jaar 2000 ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing. Om de doelstelling te bereiken is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA’s), het Besluit Tenders Industriële Energiebesparing (BTIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M) het Besluit Subsidie Energiebesparingstechnieken (BSET) en het onderhavige programma. Het programma is ingedeeld in drie onderdelen: De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten: Toelichting op de bovengenoemde aspecten: Ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond. Ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met: Ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan: Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelings- en demonstratieprojecten. Ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primair
- 1. De sectorale benadering Dit programma-onderdeel is gericht op de metalectro sector, de oppervlaktebehandelingssector, de industriële loonkoel- en vriesbedrijven, de bloemenveilingen, de visbewerkingsbedrijven, de industriële natwasserijen en strijkinrichtingen en de tapijtfabrikanten. Via meerjarenafspraken zullen met deze bedrijfstakken afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de desbetreffende bedrijfstakken zullen bijdragen aan de bovengenoemde doelstelling. Dit onderdeel beoogt in de bedrijfstakken waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt of nog zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren. De voornaamste soorten projecten die in 1995 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkex- perimenten die binnen bovengenoemde bedrijfstakken gericht zijn op:
- het opstellen van meerjarenplannen en monitoringsystematieken voor een bedrijfstak;
- het verbeteren van de energiehuishouding in bedrijven, zoals integraal energiebeheer, procesintegratie en procesregelingen;
- het ontwikkelen van energiebesparingstechnieken binnen de branche of bedrijfstak;
- het verbeteren of vernieuwen van branchespecifieke procestechnologie gericht op de verbetering van de energie-efficiency.
- 2. De benadering via de nutssector Dit programma-onderdeel is gericht op de Energiedistributiebedrijven (EDB’s) ten behoeve van het realiseren van hun doelstellingen zoals vermeld in het Milieu Actie Plan II (MAP II) gericht op industriële klanten. Met de EDB’s worden plannen van aanpak gedefinieerd om de industriële bedrijven in de desbetreffende verzorgingsgebieden systematisch te benaderen voor het verbeteren van de energie-efficiency. De soorten projecten die in 1995 voor subsidie in aanmerking, komen zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die gericht zijn op:
- het opstellen van plannen van aanpak voor provinciale of (inter)regionale verzorgingsgebieden;
- het uitvoeren van projecten in samenwerking met sectoren waarmee een MJA is of zal worden afgesloten.
- 3. Ondersteunende Activiteiten Dit programmaonderdeel is gericht op de ontwikkeling van energiediensten. Onder energiediensten wordt in dit kader verstaan: het vanuit de EDB’s aan industriële klanten leveren van andere energievormen dan gas en elektriciteit en het leveren van diensten die energie-efficiency bij deze klanten verhoogt. De soorten projecten die in 1995 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die gericht zijn op:
- het opstellen van plannen die energielevering in de vorm van warmte, koude, mechanisch vermogen of perslucht gedeeltelijk ter vervanging van gas- of electriciteitslevering mogelijk maken;
- het ontwikkelen van vormen van dienstverlening die een energie-efficiency-verbetering bij industriële klanten stimuleert.
- a. de slaagkans van het project;
- b. de milieuverdienste van het project;
- c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;
- d. de nieuwheid en de oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;
- e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;
- f. de bijdrage van het project aan de realisatie van de meerjarenafspraken;
- g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;
- h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;
- i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.
- de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies;
- de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.
- het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;
- het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;
- (vergaande) procesintegratie.
- organisaties en bedrijven binnen bovengenoemde bedrijfstakken;
- energiedistributiebedrijven;
- overkoepelende branche-organisaties en individuele bedrijven;
- instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;
- leveranciers en fabrikanten van produktie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;
- adviesbureaus.