Art. 4 Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, Algemeen
Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet
1. De Algemene Bijstandswet blijft gedurende ten hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd.
2. De in het eerste lid bedoelde toepassing van de Algemene Bijstandswet eindigt:
a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen;
b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Algemene bijstandswet tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van algemene bijstand hebben getroffen; dan wel
c. zodra in het betreffende geval gedurende ten minste een kalendermaand geen recht op algemene bijstand heeft bestaan.
3. Zolang het eerste lid van toepassing is blijven de besluiten inzake de verlening van bijstand die burgemeester en wethouders op grond van de Algemene Bijstandswet ten aanzien van de betrokkenen hebben genomen van kracht.
4. Besluiten van burgemeester en wethouders op grond van de Algemene Bijstandswet inzake terugvordering of anderszins terugbetaling van reeds verleende bijstand, inzake verhaal van reeds verleende of nog te verlenen bijstand en inzake borgstelling, die op de peildag van kracht zijn, blijven van kracht tot het moment waarop zich in het betrokken geval een zodanige wijziging van de omstandigheden voordoet of heeft voorgedaan dat een herziening van het besluit dient plaats te vinden. Indien bijstand is verleend met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 7a van de Algemene Bijstandswet blijven bij herziening van het besluit de aan de reeds gevestigde hypotheek verbonden verplichtingen en bedingen van kracht.
5. Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid bijstand is verleend met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 7a van de Algemene Bijstandswet en op de peildag de hypotheek nog niet is gevestigd, wordt deze gevestigd met inachtneming van de krachtens artikel 20, zevende lid, van de nieuwe Algemene bijstandswet gestelde regels.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 20 augustus 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AJ6875
- CRvB 22 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF1408
- CRvB 18 mei 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP0290
- CRvB 3 december 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF3034
- CRvB 5 maart 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE2705
- Rb. Arnhem 8 november 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB7904
- Rb. Almelo 4 december 2006, ECLI:NL:RBALM:2006:AZ3630
- Conclusie A-G Bakels 29 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2372
- Conclusie A-G Bakels 9 juni 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA6160
- HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1431
- HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6160
- Hof 's-Hertogenbosch 3 maart 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AF7453
- Hof 's-Hertogenbosch 4 oktober 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0596
- CRvB 20 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU8534
- CRvB 31 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7261
- CRvB 12 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3945
- CRvB 28 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR8707
- CRvB 26 oktober 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR4951
- CRvB 29 september 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR3930
- CRvB 5 oktober 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR3605