Bijlage 1 Instellingsbesluit reglementering van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden: reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Instellingsbesluit reglementering van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Er is een waterschap met de naam Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verder aan te duiden als het waterschap. 1. Het gebied van het waterschap is aangegeven op de bij dit reglement behorende gewaarmerkte kaart nummer 94009, schaal 1 : 100 000. 2. Het gebied, bedoeld in het eerste lid, wordt bij besluit van gedeputeerde staten nader aangeduid op detailkaarten, met een schaal van ten minste 1 :10 000. 3. Van elk van de in het eerste en tweede lid bedoelde kaarten berust een exemplaar bij het waterschap alsmede bij het provinciaal bestuur van Utrecht en van Zuid-Holland. De taak van het waterschap is gericht op de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied en omvat de zorg voor: Het algemeen bestuur bepaalt in welke gemeente in zijn gebied het waterschap zijn zetel heeft. Het dagelijks bestuur, de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur hebben de benaming van respectievelijk college van dijkgraaf en hoogheemraden, dijkgraaf en hoogheemraden. Als categorieën van belanghebbenden worden in het algemeen bestuur vertegenwoordigd: De onder a, b, c en d aangeduide categorieën van belanghebbenden worden in dit reglement onderscheidenlijk aangeduid als de categorie ongebouwd, de categorie gebouwd, de categorie ingezetenen en de categorie gebruikers bedrijfsgebouwd. 1. Het algemeen bestuur bestaat uit dertig leden. 2. Van de leden van het algemeen bestuur vertegenwoordigen: De leden van het algemeen bestuur worden gekozen met inachtneming van het bepaalde in het Kiesreglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. 1. De leden van het algemeen bestuur worden gekozen voor vier jaren. 2. Zij treden af op de dag, bedoeld in artikel 16, eerste lid. 1. Het waterschap is ten behoeve van de verkiezing onderverdeeld in vier kieskringen. Deze zijn aangeduid als kieskring I, kieskring II, kieskring III en kieskring IV. 2. Het gebied van de kieskringen is aangegeven op de in artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde kaarten. 1. In kieskring I worden twee leden gekozen di
- a. de waterkering;
- b. het kwantitatief oppervlaktewaterbeheer;
- c. het kwalitatief oppervlaktewaterbeheer, bedoeld in de Verordening waterkwaliteitsbeheer Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;
- d. het vaarwegbeheer van de Dubbele Wiericke, de Grecht, de Korte en Lange Linschoten, de Montfoortse vaart, de Kromme Rijn en de Leidsche Rijn.
- a. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken;
- b. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken;
- c. de ingezetenen, bedoeld in artikel 11, onder d, van de Waterschapswet;
- d. degenen die krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebouwde onroerende zaken in gebruik hebben als bedrijfsruimte.
- a. zeven leden de categorie ongebouwd;
- b. zeven leden de categorie gebouwd;
- c. twaalf leden de categorie ingezetenen;
- d. vier leden de categorie gebruikers bedrijfsgebouwd.
- a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;
- b. in een vergadering als bedoeld in artikel 18, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 18, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.
- a. het vaststellen of wijzigen van de begroting, bedoeld in artikel 99 van de Waterschapswet;
- b. het vaststellen van de rekening, bedoeld in artikel 105 van de Waterschapswet;
- c. het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden als bedoeld in artikel 108 van de Waterschapswet;
- d. het vaststellen van regels met betrekking tot de controle op de administratie en op het beheer van vermogenswaarden als bedoeld in artikel 109 van de Waterschapswet;
- e. het vaststellen van besluiten inzake belastingen of rechten als bedoeld in de artikelen 110, 119 en artikel 120, zevende lid, van de Waterschapswet;
- f. het instellen van een heffing op de voet van artikel 18, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
- g. het vaststellen van verordeningen als bedoeld in artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet;
- h. het vaststellen van de verordening, bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Waterschapswet;
- i. het vaststellen van het beheersplan, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de waterhuishouding;
- j. het vaststellen van een peilbesluit, bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding;
- k. het vaststellen van de legger, bedoeld in artikel 64, eerste lid;
- l. het nemen van besluiten tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken, voor zover deze betrekking hebben op werken waarvan in betekenende mate een wijziging van de bestaande waterstaatkundige situatie of van de hoogte van de te heffen omslagen is te verwachten;
- m. het nemen van besluiten tot het oprichten van of deelnemen in rechtspersonen.
- a. waterkeringen: de dijken, kaden, natuurlijke hoogten en peilscheidingen, onder welke benaming ook, die dienen tot kering van water; zij worden in de legger, bedoeld in artikel 64, naar de mate van hun belang onderscheiden in primaire waterkeringen, secundaire waterkeringen en tertiaire waterkeringen;
- b. watergangen: de oppervlaktewateren, met inbegrip van de waterbodems en taluds, die dienen voor de af- of aanvoer of berging van water; zij worden in de legger naar de mate van hun belang onderscheiden in primaire watergangen, secundaire watergangen en tertiaire watergangen;
- c. kunstwerken: de waterstaatkundige bouwwerken die een functie hebben of mede een functie hebben voor de waterkering of de waterbeheersing;
- d. aangelanden: degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van aan watergangen grenzende percelen. Indien een watergang aan een openbare weg grenst, kan in de legger de onderhoudsplichtige van de weg als aangeland worden aangemerkt.
- a. er sprake is van onevenredig onderhoudsverzwarende omstandigheden die aan de aangeland moeten worden toegerekend;
- b. omtrent de overneming van het onderhoud in afwijkende zin overeenstemming is bereikt;
- c. het betreft het afmaaien en opzetten van de kanten of taluds van de watergangen langs de kopeinden van de percelen.
- a. de primaire en secundaire waterkeringen met de daartoe behorende kunstwerken en de tertiaire waterkeringen;
- b. de primaire en secundaire watergangen met de daarin of daarover gelegen kunstwerken voor zover deze onderdeel uitmaken van wegen of spoorwegen, de peilregelende kunstwerken en de tertiaire watergangen.
- a. materiaal, waaronder machines, toe te laten;
- b. alle tijdelijke werkzaamheden en verrichtingen, waaronder begrepen het doen van gravingen, metingen, het stellen van tekens en het vervoer en de tijdelijke neerlegging van aarde en bouwstoffen, toe te staan.
- a. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken;
- b. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken;
- c. ingezetenen zijn.
- a. Het kostenaandeel van de ingezetenen in de waterkeringszorg wordt bepaald met inachtneming van de bevolkingsdichtheid van het gebied;
- b. De resterende kosten van de waterkeringszorg worden toegedeeld aan de categorieën ongebouwd en gebouwd in verhouding van de globale waarde in het economisch verkeer van het geheel van de ongebouwde onderscheidenlijk gebouwde onroerende zaken in de bij die taak belanghebbende gebieden;
- c. Het aandeel van de categorie ingezetenen in de kosten van het kwantitatief oppervlaktewaterbeheer wordt bepaald met inachtneming van de mate waarin deze categorie voor haar functioneren in het waterschapsgebied afhankelijk is van de waterstaatkundige verzorging door het waterschap;
- d. De resterende kosten van het kwantitatief oppervlaktewaterbeheer worden toegedeeld aan de categorieën ongebouwd en gebouwd in verhouding van de bij benadering te bepalen kosten van het waterstaatkundig vereiste voorzieningenniveau van het geheel van de ongebouwde onderscheidenlijk gebouwde onroerende zaken in de bij die taak belanghebbende gebieden;
- e. De kosten van het vaarwegbeheer die ten laste blijven van het waterschap worden toegevoegd aan de kosten van het kwantitatief oppervlaktewaterbeheer.
- a. het vaststellen of wijzigen van verordeningen, voor zover deze niet aan goedkeuring zijn onderworpen;
- b. het vaststellen of wijzigen van de legger;
- c. het instellen van afdelingen en het regelen van de taken van die afdelingen en de samenstelling en inrichting van haar besturen;
- d. het treffen van geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van het algemeen bestuur en hun plaatsvervangers;
- e. de aanleg en verbetering van waterstaatswerken, voor zover deze betrekking hebben op werken waarvan in betekenende mate een wijziging van de bestaande waterstaatkundige situatie of van de hoogte van de te heffen omslagen is te verwachten;
- f. het kopen, ruilen, vervreemden of bezwaren van waterstaatswerken, niet zijnde het vestigen van een recht van opstal uitsluitend ten behoeve van de aanleg of het onderhoud van ondergrondse dan wel bovengrondse leidingen;
- g. het aangaan van overeenkomsten met een openbaar lichaam dan wel met de N.V. Nederlandse Spoorwegen, die essentiële onderdelen betreffen van de waterstaat, alsmede tot het wijzigen en opzeggen van die overeenkomsten;
- h. het oprichten van of deelnemen in rechtspersonen.