Art. 16 Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers, Voorschriften voor installatie

Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers

1. Er mag slechts tot installatie worden overgegaan indien:

a. de omtrek van de banden van de aangedreven wielen van het betrokken motorrijtuig niet meer dan 2,5% afwijkt van de bandenomtrek, vermeld op het in artikel 37, eerste lid, van de Regeling controleapparaten 2005, bedoelde installatieplaatje;

b. blijkt dat de verzegeling als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 4, van bijlage I of als bedoeld in hoofdstuk V, paragraaf 3, van bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370) van het controleapparaat aanwezig en niet verbroken is.

2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het snelheidssignaal ten behoeve van de snelheidsbegrenzer afkomstig is van het controleapparaat.